Het college hanteert voor het opstellen van de resultaten in het ondersteuningsplan het volgende algemeen afwegingskader:
allereerst beoordeelt het college in het gesprek en tijdens het onderzoek of de inwoner in staat is om op eigen kracht, met eigen verantwoordelijkheid de beperkingen op het gebied van zelfredzaamheid en participatie op te lossen en het resultaat te bereiken;
vervolgens beoordeelt het college of de inwoner in staat is om met mantelzorg of met ondersteuning en hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid en participatie (en of in die situatie sprake is van gebruikelijke hulp);
daarnaast beoordeelt het college in het gesprek en tijdens het onderzoek de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de inwoner om de inwoner in staat te stellen te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid en participatie;
het college beoordeelt de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening, wettelijk voorliggende voorzieningen of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie;
ook beoordeelt het college de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid, zijn participatie;
tenslotte beoordeelt het college de mogelijkheid om met inzet van individuele maatwerkvoorzieningen een passende bijdrage te leveren aan het realiseren van een situatie waarin de inwoner in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven.
Hoofdstuk 3.
Artikel 3.7.
Algemeen afwegingskader
Onderdeel van BELEIDSREGELS maatschappelijke ondersteuning Zoeterwoude 2016