Naar hoofdinhoud
Richtlijn B079 - Hoogte bijzondere bijstand 18 t/m 20-jarigen niet in inrichting Omschrijving van de kosten Indien en voor zover een persoon van 18, 19 of 20 jaar die niet in een inrichting verblijft hogere bestaanskosten heeft dan waarin zijn bijstandsnorm voorziet en de middelen van zijn ouders hiertoe ontoereikend zijn of hij redelijkerwijs zijn onderhoudsrecht jegens zijn ouders niet te gelde kan maken kan het college op grond van artikel 12 Participatiewet, aanvullend bijzondere bijstand verlenen. Omschrijving van de doelgroep Jong meerderjarigen De 18- tot 21-jarige die geen of onvoldoende beroep kan doen op de ouders voor de noodzakelijke kosten van het bestaan, komt in aanmerking voor (aanvullende) bijzondere bijstand voor de kosten van levensonderhoud. Een 18- tot 21-jarige kan in ieder geval geen of onvoldoende beroep op de zorgplicht van de ouders doen als: de onderhoudsplichtige ouder of ouders zijn overleden; de jongere in het kader van de Jeugdwet buiten het gezinsverband van de ouder of ouders is geplaatst; de ouders onvindbaar of niet bereikbaar zijn er sprake is van een ernstig verstoorde relatie met de ouder(s). Een aanvraag voor bijzondere bijstand voor levensonderhoud voor jong meerderjarigen wordt, analoog aan artikel 41 lid 4 van de PW, niet eerder ingediend dan vier weken na datum melding en wordt niet eerder dan vier weken na die melding door het college in behandeling genomen. Hoogte en vorm bijzondere bijstand 18 tot 21 jarige alleenstaande: Voor de jongeren die niet in een inrichting verblijft wordt de norm aangevuld tot het totaal bedrag (norm plus bijzondere bijstand) gelijk is aan 75% van het voor een 21-jarige geldende minimumloon als bedoeld in artikel 8 derde lid van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag verminderd met de daarover verschuldigde loonheffing en de daarover verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage, bedoeld in artikel 41 van de Zorgverzekeringswet. Voor een jongere in inrichting zie beleidsregel Hoogte bijzondere bijstand 18 t/m 20-jarigen in inrichting 18 tot 21 jarige alleenstaande ouder: Aanvulling tot de hoogte van de bijstandsnorm voor een 21-jarige alleenstaande ouder. 18 tot 21 jaar gehuwden Gehuwden die beide 18 tot 20 jaar zijn ontvangen een aanvulling tot de hoogte van de bijstandsnorm voor gehuwden met één partner van 21 jaar of ouder. Als er ten laste komende kinderen zijn wordt een aanvulling gegeven tot de hoogte van de bijstandsnorm voor gehuwden met één partner van 21 jaar of ouder met ten laste komende kinderen. LET OP: de vakantietoeslag wordt alleen berekend over de norm voor de algemene bijstand en niet over de aanvulling via de bijzondere bijstand. Verlaging Het college ziet aanleiding om de bijzondere bijstand lager vast te stellen indien er sprake is van kostendeling ontbrekende woonlasten recente beëindiging van een opleiding Het bedrag van de verlaging wordt op de bijzondere bijstand in mindering gebracht. Bij de berekening van de hoogte van de bijstand worden de regels gehanteerd zoals deze gelden voor personen tussen de 21 jaar en de pensioengerechtigde leeftijd die niet in een inrichting verblijven. Zie ook artikel 19a, 22a, 27 en 28 PW en het gemeentelijk beleid. Op basis van deze beleidsregels is het niet mogelijk dat de totale bijstand hoger wordt vastgesteld dan de algemene bijstandsnorm die voor een 21 jarige in een vergelijkbare situatie geldt, (bijvoorbeeld als de norm is verlaagd in verband met de kostendelersnorm, het ontbreken van woonlasten en/of recente beëindiging van de opleiding). Onder totale bijstand wordt in dit geval bedoeld, de algemene bijstandsnorm vermeerderd met de op basis van deze beleidsregels toegekende bijzondere bijstand. Vorm bijstand De bijzondere bijstand wordt, volgens de hoofdregel, om niet verleend (artikel 48 lid 1 PW).

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel