Naar hoofdinhoud
Sporten kan een belangrijk middel tot participatie zijn. Als het voor de inwoner zonder sportvoorziening niet mogelijk is om een sport te beoefenen en de kosten hiervoor aanzienlijk hoger zijn dan de gebruikelijke kosten die een persoon zonder een beperking heeft voor dezelfde (of een vergelijkbare) sport, dan kan een sportvoorziening verstrekt worden. Dat kan een sportrolstoel zijn, maar ook een ander hulpmiddel. Op basis van eerdere Wmo regelgeving en jurisprudentie kan gesteld worden dat het redelijk is om maximaal eens per drie jaar hiervoor een pgb te verstrekken, waarin tevens de kosten voor onderhoud, reparatie en verzekering meegenomen zijn. De inwoner moet aantonen dat er sprake is van een actieve sportbeoefening. De ervaring leert dat sportclubs, sponsors of fondsen vaak bereid zijn een deel van de kosten te vergoeden. Bovendien kost sporten zonder beperking ook geld dus mag van de inwoner zelf ook verwacht worden dat hij een deel van de kosten draagt. Als nog geen sprake is van actieve sportbeoefening, dan kan de inwoner een pgb ontvangen voor de huur van sporthulpmiddelen gedurende een proefperiode van maximaal zes maanden, zodat de inwoner (met zijn beperking) een sport kan uitproberen. Hiervoor kan de inwoner een sportadvies vragen aan een revalidatiecentrum of een gecertificeerde sportschool waaraan een sportarts verbonden is.

Rechtspraak bij dit artikel