Kortdurend verblijf is een vorm van respijtzorg en wordt ingezet voor het ontlasten van de mantelzorger. Dit met als resultaat dat de cliënt zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven wonen.
Om in aanmerking te komen voor kortdurend verblijf moet de cliënt van de mantelzorger ten gevolge van het (tijdelijk/deels) wegvallen van de mantelzorg zijn aangewezen op ondersteuning welke gepaard gaat met permanent toezicht.
Kortdurend verblijf kan voor maximaal twee etmalen per week worden verleend. In het kader van het bieden van maatwerk kan hiervan worden afgeweken als daarvoor een noodzaak is.
Kortdurend verblijf wordt geboden in een instelling, niet zijnde een ziekenhuis, of in een accommodatie van een door het college gecontracteerde aanbieder.
Vervoer naar de instelling of accommodatie wordt als maatwerkvoorziening verstrekt indien de mantelzorger niet in staat is de cliënt te brengen en te halen en er ook geen andere vervoersmogelijkheden zijn.
Artikel 5.2 Dagbesteding met een arbeidsmatig karakter
Dagbesteding is bedoeld om structuur aan een dag te geven wanneer iemand dit niet zelf kan.
Dagbesteding met een arbeidsmatig karakter is een bijzondere vorm van maatschappelijke ondersteuning die wordt toegekend als maatwerkvoorziening.
Dagbesteding met een arbeidsmatig karakter wordt toegekend als de cliënt niet beschikt over arbeidsvermogen in de zin van de Participatiewet en deze vorm van dagbesteding de goedkoopst passende ondersteuning biedt.
Artikel 5.3 Woonvoorzieningen
Een woonvoorziening is een maatwerkvoorziening in de vorm van een woningaanpassing of een hulpmiddel gericht op het normale gebruik van de woning.
Een woonvoorziening wordt alleen toegekend als de aan te passen woning:
in de gemeente Oisterwijk staat; en
een zelfstandige woning is; en
het hoofdverblijf is of zal zijn van de cliënt.
Woningen die niet geschikt of beschikbaar zijn om het gehele jaar te bewonen worden niet als hoofdverblijf aangemerkt.
Als gebruikte materialen of slechte staat van onderhoud tot problemen in het normale gebruik van de woning leiden, kan geen aanspraak worden gemaakt op een woonvoorziening.
Bij het onderzoek wordt betrokken in hoeverre de noodzaak voor een woonvoorziening het gevolg is van een verhuizing, waartoe op grond van belemmeringen in het normale gebruik van de woning, gelet op de beperkingen van de cliënt, geen aanleiding bestond. Als dit het geval is en er geen andere belangrijke reden voor de verhuizing was, wordt geen woonvoorziening verstrekt.
Als de cliënt niet is verhuisd naar de meest geschikte woning, die beschikbaar was, wordt geen woonvoorziening verstrekt.
Als uit onderzoek blijkt dat verhuizen de goedkoopst passende oplossing is, wordt geen woonvoorziening verstrekt voor de woning, waar cliënt op dat moment zijn hoofdverblijf heeft.
Het onderzoek naar verhuizen als goedkoopst passende oplossing vindt plaats als:
de noodzakelijke aanpassingen exclusief een traplift meer bedragen dan € 1.871,50; of
b.de noodzakelijke aanpassingen inclusief een traplift meer bedragen dan
€ 5.615,60.
9.Een woonvoorziening in de vorm van een uitraasruimte kan worden verstrekt als er bij cliënt sprake is van beperkingen waardoor hyperactiviteit en moeilijkheden in het doseren van omgevingsprikkels aanleiding geven tot problemen bij het verblijf in de woning.
Artikel 5.4 Vervoersvoorzieningen
Een vervoersvoorziening is een maatwerkvoorziening voor het zich kunnen verplaatsen in de directe leefomgeving, gericht op zelfredzaamheid en participatie.
Bij het onderzoek wordt betrokken of een algemeen gebruikelijke vervoersvoorziening een adequate oplossing kan bieden.
Bij het onderzoek wordt tevens betrokken of de cliënt in staat is het openbaar vervoer te bereiken en te gebruiken.
Als uit onderzoek blijkt dat collectief vervoer de goedkoopst passende oplossing is, komt de cliënt niet in aanmerking voor een duurdere maatwerkvoorziening.
De omvang van een vervoersvoorziening wordt afgestemd op:
de eigen mogelijkheden van de cliënt;
de vervoersbehoefte gelet op de zelfredzaamheid en participatie van de cliënt. Het uitgangspunt daarbij is dat 1500 – 2000 kilometer per jaar voldoende is om de cliënt in staat te stellen tot participatie;
algemeen gebruikelijke vervoersvoorzieningen, die voor cliënt beschikbaar en passend zijn;
andere vervoersvoorzieningen die als maatwerkvoorziening zijn of worden verstrekt.
Hoofdstuk 6 Persoonsgebonden budget