Naar hoofdinhoud

Artikel 7

Termijnen van betaling en restitutie

Onderdeel van Verordening op de heffing en de invordering van parkeerbelasting Muiden 2016

1.. In afwijking van artikel 9 eerste lid van de Invorderingswet 1990 moet de belasting als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, worden betaald bij de aanvang van het parkeren. 2.. In afwijking van het bepaalde in het vorige lid moet de belasting overeenkomstig de aangifte worden betaald binnen een maand na het einde van het parkeren, als het bij de aanvang van het parkeren in werking stellen van de parkeerapparatuur geschiedt door het via de telefoon inloggen op de centrale computer. 3.. De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b, moet overeenkomstig de aangifte worden betaald op het tijdstip waarop de vergunning wordt verleend. 4.. Indien de belastingplicht, bedoeld in artikel 2, onderdeel b, in de loop van het tijdvak waarvoor de vergunning is verleend, eindigt, bestaat er geen aanspraak op restitutie. 5.. Een naheffingsaanslag moet terstond worden betaald.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel