De belasting bedoeld in artikel 10, onderdeel a, moet
overeenkomstig de aangifte worden betaald bij de aanvang van het
parkeren.
In afwijking van het bepaalde in het vorige lid moet de
belasting overeenkomstig de aangifte worden betaald binnen twee
maanden na het einde van het parkeren, als het bij de aanvang
van het parkeren in werking stellen van de parkeerapparatuur
geschiedt door het inloggen op de centrale computer.
De belasting bedoeld in artikel 10, onderdeel b, moet
overeenkomstig de aangifte worden betaald op het tijdstip waarop
de vergunning wordt verleend.
Een naheffingsaanslag moet terstond worden betaald.
Afdeling V
Artikel 15
Termijnen van betaling
Onderdeel van Verordening parkeerregulering en parkeerbelasting Delft 2016