In deze verordening wordt verstaan onder:
openbare plaats: hetgeen in artikel 1 van de Wet openbare
manifestaties daaronder wordt verstaan;
weg: weg, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de
Wegenverkeerswet 1994;
openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op
andere wijze toegankelijk zijn;
bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld
op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994 ;
rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft
krachtens een zakelijk of persoonlijk recht;
bouwwerk: bouwwerk als bedoeld in artikel 1 van de
Bouwverordening;
gebouw: gebouw als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c,
van de Woningwet;
handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of
diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang
te dienen;
objecten voor tijdelijke handels- en niet-commerciële reclame:
objecten zoals spandoeken, sandwichborden, driehoeksborden en
wegwijsborden die voor een korte periode worden geplaatst en van
kennelijk tijdelijke aard zijn om een evenement of een
activiteit aan te kondigen;
bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van
een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld
in artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of
ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning;
college: het college van burgemeester en wethouders.
Artikel 1:2 Beslistermijn
Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een
vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van
ontvangst van de aanvraag.
Dit bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht weken
verlengen.
In afwijking van het tweede lid is artikel 3.9 van de Wet
algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing indien beslist
wordt op een aanvraag om een ontheffing als bedoeld in artikel
2:10, vierde lid, of een vergunning als bedoeld in artikel 2:11,
tweede lid, aanhef en onder a, of artikel 4:11.
Artikel 1:3 Indiening aanvraag
Indien een aanvraag voor een vergunning of ontheffing wordt
ingediend minder dan drie weken vóór het tijdstip waarop de
aanvrager de vergunning of ontheffing nodig heeft, kan het
bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen.
Voor bepaalde, door het bestuursorgaan aan te wijzen,
vergunningen of ontheffingen kan de in het eerste lid genoemde
termijn worden verlengd tot ten hoogste acht weken.
In afwijking van lid 1 kan het bestuursorgaan besluiten de
aanvraag voor een vergunning voor een evenement als bedoeld in
artikel 2:25 van deze verordening niet te behandelen, indien de
aanvraag voor een categorie A, categorie B of categorie C
evenement respectievelijk minder dan 4-, 8- of 14 weken voor de
dag waarop het evenement aanvangt, wordt ingediend.
Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen
Aan een vergunning, ontheffing of vrijstelling kunnen
voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze
voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming
van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning,
ontheffing of vrijstelling is vereist.
Degene aan wie een vergunning, ontheffing of vrijstelling is
verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en
beperkingen na te komen.
Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning, ontheffing of
vrijstelling
De vergunning, ontheffing of vrijstelling is persoonlijk, tenzij bij of
krachtens deze verordening anders is bepaald.
Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning, ontheffing of
vrijstelling
De vergunning, ontheffing of vrijstelling kan worden ingetrokken of
gewijzigd:
indien ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens
zijn verstrekt;
indien op grond van een verandering van de omstandigheden of
inzichten opgetreden na het verlenen van de vrijstelling,
ontheffing of vergunning, intrekking of wijziging noodzakelijk
is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de
vergunning, ontheffing of vrijstelling is vereist;
indien de aan de vergunning, ontheffing of vrijstelling
verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden
nagekomen;
indien van de vergunning, ontheffing of vrijstelling geen
gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn dan
wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een
redelijke termijn;
indien de houder dit verzoekt.
Artikel 1:7 Termijnen
De vergunning, ontheffing of vrijstelling geldt voor onbepaalde tijd,
tenzij bij de vergunning, ontheffing of vrijstelling anders is bepaald
of de aard van de vergunning, ontheffing of vrijstelling zich daartegen
verzet.
Artikel 1:8 Weigeringsgronden
De vergunning, ontheffing of vrijstelling kan door het bevoegd gezag of
het bevoegde bestuursorgaan worden geweigerd in het belang van:
de openbare orde;
de openbare veiligheid;
de volksgezondheid;
de bescherming van het milieu.
Hoofdstuk
Artikel 1:1
Begripsbepalingen
Onderdeel van Algemene Plaatselijke Verordening Utrechtse Heuvelrug 2016