Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 1:1

Begripsbepalingen

Onderdeel van Algemene Plaatselijke Verordening Utrechtse Heuvelrug 2016

In deze verordening wordt verstaan onder: openbare plaats: hetgeen in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties daaronder wordt verstaan; weg: weg, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994; openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn; bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994 ; rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht; bouwwerk: bouwwerk als bedoeld in artikel 1 van de Bouwverordening; gebouw: gebouw als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c, van de Woningwet; handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen; objecten voor tijdelijke handels- en niet-commerciële reclame: objecten zoals spandoeken, sandwichborden, driehoeksborden en wegwijsborden die voor een korte periode worden geplaatst en van kennelijk tijdelijke aard zijn om een evenement of een activiteit aan te kondigen; bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning; college: het college van burgemeester en wethouders. Artikel 1:2 Beslistermijn Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. Dit bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht weken verlengen. In afwijking van het tweede lid is artikel 3.9 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing indien beslist wordt op een aanvraag om een ontheffing als bedoeld in artikel 2:10, vierde lid, of een vergunning als bedoeld in artikel 2:11, tweede lid, aanhef en onder a, of artikel 4:11. Artikel 1:3 Indiening aanvraag Indien een aanvraag voor een vergunning of ontheffing wordt ingediend minder dan drie weken vóór het tijdstip waarop de aanvrager de vergunning of ontheffing nodig heeft, kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen. Voor bepaalde, door het bestuursorgaan aan te wijzen, vergunningen of ontheffingen kan de in het eerste lid genoemde termijn worden verlengd tot ten hoogste acht weken. In afwijking van lid 1 kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag voor een vergunning voor een evenement als bedoeld in artikel 2:25 van deze verordening niet te behandelen, indien de aanvraag voor een categorie A, categorie B of categorie C evenement respectievelijk minder dan 4-, 8- of 14 weken voor de dag waarop het evenement aanvangt, wordt ingediend. Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen Aan een vergunning, ontheffing of vrijstelling kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning, ontheffing of vrijstelling is vereist. Degene aan wie een vergunning, ontheffing of vrijstelling is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen. Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning, ontheffing of vrijstelling De vergunning, ontheffing of vrijstelling is persoonlijk, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald. Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning, ontheffing of vrijstelling De vergunning, ontheffing of vrijstelling kan worden ingetrokken of gewijzigd: indien ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt; indien op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vrijstelling, ontheffing of vergunning, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning, ontheffing of vrijstelling is vereist; indien de aan de vergunning, ontheffing of vrijstelling verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen; indien van de vergunning, ontheffing of vrijstelling geen gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; indien de houder dit verzoekt. Artikel 1:7 Termijnen De vergunning, ontheffing of vrijstelling geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning, ontheffing of vrijstelling anders is bepaald of de aard van de vergunning, ontheffing of vrijstelling zich daartegen verzet. Artikel 1:8 Weigeringsgronden De vergunning, ontheffing of vrijstelling kan door het bevoegd gezag of het bevoegde bestuursorgaan worden geweigerd in het belang van: de openbare orde; de openbare veiligheid; de volksgezondheid; de bescherming van het milieu.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel