Naar hoofdinhoud
1.. De toeslag bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de wet bedraagt 20% van de gehuwdennorm voor de jongere in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft; 2.. De toeslag bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de wet bedraagt 10% van de gehuwdennorm voor de jongere in wiens woning één of meer anderen hun hoofdverblijf hebben en wiens woonlasten lager zijn dan € 250,- per maand; 3.. De toeslag als bedoeld in artikel 30, eerste lid van de wet bedraagt 20% van de gehuwdennorm indien de jongere in de daklozenopvang verblijft en daarvoor kostgeld is verschuldigd. 4.. De jongere die bij zijn ouders woonachtig is heeft geen recht op een toeslag. 5.. In afwijking van het gestelde in het tweede lid wordt de verzorgingsbehoevende die door de jongere wordt verzorgd niet beschouwd als een ander die in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel