**1..** Het college informeert de raad in de loop van het jaar voorshands door middel van één tussentijdse rapportage over de voortgang in de realisatie van de begroting;
**2..** Deze rapportage heeft betrekking op de eerste zes maanden van het dienstjaar;
**3..** De tussentijdse rapportage wordt de raad uiterlijk aangeboden op 31 augustus van het lopende begrotingsjaar;
**4..** De inrichting van de tussentijdse rapportage sluit aan bij de programma-indeling van de begroting;
**5..** De rapportage gaat in op de afwijkingen ten opzichte van de (gewijzigde) begroting, zowel voor wat betreft de lasten en baten en de geleverde goederen en diensten als ook, indien daar aanleiding voor is, op de maatschappelijke effecten en de in dat verband gehanteerde indicatoren als bedoeld in artikel 2.1, lid 3 en 4;
**6..** In de rapportage wordt voorts in ieder geval aandacht besteed aan afwijkingen, ten opzichte van de (gewijzigde) begroting, in:
inkomsten uit de algemene uitkering;
de rente-ontwikkeling op de kapitaalmarkt;
resultaten uit grondexploitatie;
de (financiële) ontwikkelingen in - zulks ter bepaling van de raad - bijzondere projecten en de in dat verband geraamde subsidies en bijdragen van derden.
**7..** De in de leden 5 en 6 vermelde afwijkingen leiden tot een wijziging van de begroting. Een voorstel daartoe maakt onderdeel uit van de tussentijdse rapportage en wordt ter vaststelling aan de raad aangeboden.
**8..** De raad kan aan de hand van de informatie als bedoeld in lid 5 bepalen of de (beleidsdoelen voor de) programma’s voor het lopende begrotingsjaar bijstelling behoeven.
**9..** In overleg met de raad zal de frequentie van het aantal in de loop van het jaar te presenteren tussentijdse rapportages te zijner tijd worden geëvalueerd.
HOOFDSTUK 2
Artikel 2.5