1.
Het college kan de eigenaar/houder van een gevaarlijke hond een kort aanlijngebod en een muilkorfgebod opleggen. Hierbij geldt tevens dat de hond moet zijn voorzien van een optisch leesbaar, niet-verwijderbaar identificatiekenmerk in het oor of in de buikwand.
2.
De maatregel kan worden opgeheven wanneer de eigenaar/houder door middel van een risico-assessment aantoont dat het gedrag van de hond structureel is verbeterd.