Vindplaats: Kluwer Schulink Grip op Participatiewet hoofdstuk 6 Bijzondere bijstand; paragraaf 16 onder 4
Norm: 100% historische bijstandnorm. Vermogen mag niet hoger zijn dan 35% van de vermogensnorm in de Participatiewet. Het meerdere wordt in mindering gebracht op de toe te kennen bijzondere bijstand voor de inrichtingskosten.
Draagkracht Boven norm 35% als draagkracht
Maximale bedrag De maximumbedragen voor complete woninginrichting die in het kader van de bijzondere bijstand gehanteerd kunnen worden zijn als volgt:
alleenstaande (zelfstandig gehuisvest): €2.500,00
een gezin bestaande uit:
2 personen € 4.100,00
3 personen € 4.550,00
4 personen € 5.450,00
5 personen € 5.900,00
6 personen € 6.350,00
(vermeerderd met 450,00 voor iedere persoon boven genoemd aantal).
Bij de toekenning van bijzondere bijstand voor inrichtingskosten zal altijd rekening moeten worden gehouden met reeds aanwezig meubilair.
De kosten van woninginrichting worden tot de periodiek dan wel incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan gerekend. Deze kosten dienen dan ook in beginsel te worden bestreden uit het inkomen, hetzij door middel van reservering vooraf, hetzij door middel van gespreide betaling achteraf. Afzonderlijke bijstandsverlening is niet mogelijk, tenzij de kosten noodzakelijk zijn als gevolg van bijzondere omstandigheden in het individuele geval, die ertoe leiden dat de kosten niet uit de algemene bijstand en de aanwezige draagkracht kunnen worden voldaan.
Bijzondere bijstand wordt in beginsel om niet verleend (artikel 48 lid 1 Participatiewet). In afwijking hiervan bepaalt artikel 51 lid 1 Participatiewet dat bijzondere bijstand voor duurzame gebruiksgoederen kan worden gegeven in de vorm van een geldlening, borgtocht of als een bedrag om niet. Voor wat betreft de vorm van de bijzondere bijstand geldt de volgende voorkeur:
borgtocht bij een geldlening via de normale kredietverlenende instanties als vaststaat dat, zonder optreden van de bijstand als borg, de lening door de kredietverlenende instelling niet zal worden verstrekt;
leenbijstand;
bijstand om niet.
De wetgever acht deze volgorde aangewezen omdat ook de aanschaf, vervanging of reparatie van gebruiksgoederen met een duurzaam karakter tot de algemeen voorkomende noodzakelijke kosten van het bestaan behoren.
Doet zich evenwel de bijzondere situatie voor, dat bijvoorbeeld een dergelijk goed aan vervanging toe is, terwijl belanghebbende nog niet voldoende heeft gereserveerd, dan ligt het voor de hand dat de alsdan te verstrekken bijzondere bijstand, mede gezien het duurzame karakter van het goed, de vorm heeft van een geldlening. Wel dient vast te staan dat de belanghebbende de benodigde geldlening niet kan krijgen via de normale kredietverlenende instanties. Een lening bij een kredietverlenende instantie geldt immers als voorliggende voorziening
Er bestaat slechts aanleiding voor het verlenen van borgtocht, indien vaststaat dat de lening, zonder optreden van de bijstand als borg, niet zal worden verstrekt. Dit volgt uit de toelichting op artikel 51 Participatiewet.
De kredietbank zal de gemeente aanspreken als borg wanneer de schuldenaar de betalingsverplichting niet nakomt. Het restant van de schuld, inclusief de rente, zal dan betaald moeten worden. Vervolgens kan de gemeente dit terugvorderen van belanghebbende. Bij een aanvraag voor volledige woninginrichting voor statushouders is er altijd sprake van borgstelling door de gemeente.
De bijstand wordt verleend in de vorm van een geldlening indien borgtocht niet mogelijk is. Alleen wanneer er sprake is van zeer bijzondere omstandigheden, is het mogelijk om de bijzondere bijstand om niet te verstrekken.
De Participatiewet biedt, buiten artikel 57 onderdeel b Participatiewet, geen wettelijke grondslag om de bijzondere bijstand voor duurzame gebruiksgoederen in natura te verlenen door goederen door een door het college bepaalde leverancier te laten verstrekken. De beleidsregel op grond waarvan het toegekende geldbedrag in alle gevallen rechtstreeks wordt betaald aan de leverancier die een belanghebbende vervolgens voorziet van de toegekende duurzame gebruiksgoederen, is dan ook in strijd met de wet.
Hoofdstuk 10
Artikel 10.3.
Inrichtingskosten (duurzame gebruiksgoederen)
Onderdeel van Beleidsregels bijzondere bijstand 2015 Stede Broec