Naar hoofdinhoud
4.01 Kleurseinen Is een kleursein gedoofd of toont het een onduidelijk of niet in dit Reglement omschreven seinbeeld, dan moet de trambestuurder stoppen, zo mogelijk voor het kleursein en zich in verbinding stellen met de verkeersleiding te Nieuwegein (VL) . Hij handelt daarna volgens de hem door de VL gegeven opdracht. Heeft de VL hem opgedragen verder te rijden, dan moet de trambestuurder “op zicht” verder rijden, echter met geen hogere snelheid dan 30 km/h. Hij handelt verder overeenkomstig de voorwaarden voor het passeren van een “stop”- tonend sein als omschreven in art. 4, lid 4.2 van het Baanvakvoorschrift (VEV Deel I, C 5410/I-S). 4.02 Rijwegseinen Is een rijwegsein gedoofd of toont het een onduidelijk of een niet in dit Reglement omschreven seinbeeld, dan moet de trambestuurder stoppen, zo mogelijk voor het sein, en zich in verbinding stellen met de VL. Hij handelt daarna volgens de hem door de VL gegeven opdracht. 4.03 Openbaar Vervoer Oprij-sein Is een Openbaar Vervoer Oprij-sein gedoofd of toont het een onduidelijk of niet in dit Reglement omschreven seinbeeld, dan moet de trambestuurder waarschuwingssignalen geven, de snelheid verminderen en stoppen wanneer de veiligheid van het verkeer zulks vordert. Deze bepaling geldt niet voor een voorlicht (sein OV6).

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel