In deze verordening worden verstaan onder:
markt:
De warenmarkt die plaatsvindt op de, bij of krachtens artikel 1.2 vastgestelde dag, tijd en plaats.
marktterrein:
De gehele openbare of voor het publiek toegankelijke oppervlakte grond, die bij of krachtens artikel 1.2 is aangewezen voor het uitoefenen van de markthandel.
standplaats:
De ruimte die voor de duur van de markt op het marktterrein is aangewezen voor het uitoefenen van de markthandel.
vaste plaats:
De standplaats die op een markt voor onbepaalde tijd ter beschikking wordt gesteld aan de vergunninghouder.
dagplaats:
Een standplaats die per marktdag ter beschikking wordt gesteld.
standwerkerplaats:
De standplaats die per marktdag ter beschikking wordt gesteld om stand te werken.
standwerken:
De activiteit waarbij de vergunninghouder publiek om zich heen verzamelt, over het door hem te verkopen artikel een aansprekende uiteenzetting houdt en tenslotte tracht een aantal personen gelijktijdig tot aankoop van dat artikel te bewegen.
college :
Het college van burgemeester en wethouders.
vergunninghouder
Degenen aan wie door het college vergunning is verleend voor het innemen van een standplaats.
anciënniteitslijst
De lijst van vergunninghouders van een vaste plaats.
marktmeester:
De persoon, die als zodanig door het college is aangewezen.
branche-indeling:
de indeling in artikelgroepen en het aantal vastgestelde aantal meters per artikelgroep.
marktcommissie:
Een commissie van advies waarvan de samenstelling en werkwijze wordt geregeld bij reglement vast te stellen door het college.
levenspartner:
De persoon met wie de vergunninghouder met het oogmerk duurzaam moet samen wonen en een gemeenschappelijke huishouding voert.