Naar hoofdinhoud
De duur van de vakantie van de ambtenaar, bedoeld in de artikelen 6:2 en 6:2:0:1, wordt vermeerderd met: 21,6 uren bij een leeftijd van 18 jaar en jonger; 14,4 uren bij een leeftijd van 19 jaar; 7,2 uren bij een leeftijd van 20 jaar; 7,2 uren per jaar bij een leeftijd van 30 tot en met 34 jaar; 14,4 uren per jaar bij een diensttijd in overheidsdienst van 15 jaar of bij een leeftijd van 35 tot en met 44 jaar; 28,8 uren per jaar bij een diensttijd in overheidsdienst van 25 jaar of bij een leeftijd van 45 tot en met 54 jaar; 36,0 uren per jaar bij een diensttijd in overheidsdienst van 35 jaar of bij een leeftijd van 55 tot en met 59 jaar; 43,2 uren per jaar bij een diensttijd in overheidsdienst van 40 jaar of bij een leeftijd van 60 jaar en ouder. De in het vorige lid bedoelde vermeerderingen worden voor het eerst genoten in het jaar, waarin de aangegeven diensttijd of de leeftijd wordt bereikt.

Rechtspraak bij dit artikel