Voor de toepassing van het bepaalde in hoofdstuk 7 wordt de
vergoeding, bedoeld in artikel 3:3, de overgangstoelage
onregelmatige dienst, alsmede de prestatiebeloning slechts geacht te
behoren tot de bezoldiging tot een bedrag dat overeenkomt met
hetgeen in de drie kalendermaanden of in de dertien kalenderweken,
voorafgaande aan de datum waarop de verhindering tot het vervullen
van de betrekking is ontstaan, gemiddeld per maand of per week is
toegekend aan die vergoeding of die beloning, al naar gelang de
bezoldiging van de ambtenaar per maand of per week wordt
uitbetaald.
Voor zover de ambtenaar op evenbedoelde datum minder dan drie
kalendermaanden of dertien kalenderweken zijn betrekking heeft
vervuld, wordt gerekend met het bedrag dat hem gemiddeld per maand
of per week is toegekend over het tijdvak waarin hij vóór het
ontstaan van de verhindering in dienst is geweest.
Hoofdstuk
Artikel 7:8:1:1