Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 3 › AFDELING 2 › Paragraaf 2

Artikel 3:12

Intrekkingsgronden

Onderdeel van Algemene Plaatselijke Verordening 2012

1. De burgemeester trekt de vergunning in, indien: a. ter verkrijging van de vergunning gegevens zijn verstrekt die zodanig onjuist of anders blijken te zijn, dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen, als bij de beoordeling daarvan de juiste omstandigheden volledig bekend waren geweest; b. door de wijze van exploitatie het woon- en leefklimaat in de naaste omgeving op ontoelaatbare wijze nadelig wordt aangetast of dreigt te worden aangetast; c. zich in de betrokken horeca-inrichting feiten of omstandigheden hebben voorgedaan die de ernstige vrees wettigen dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar oplevert voor de openbare orde; d. niet langer wordt voldaan aan de eisen, bedoeld in artikel 3:9 aanhef en onder i APV; e. de horeca-inrichting niet meer voldoet aan de inrichtingseisen, als bedoeld in artikel 3:15 van deze afdeling, tenzij een ontheffing als bedoeld in artikel 3:16 is verleend; f. binnen een termijn van zes maanden na de dagtekening van de vergunning geen gebruik is gemaakt van de vergunning, anders dan wegens overmacht; g. de exploitatie van de horeca-inrichting voor een periode van langer dan drie maanden is of wordt onderbroken, anders dan wegens overmacht; h. de vergunninghouder c.q. -houders hierom verzoekt c.q. verzoeken; i. de vergunninghouder in de in artikel 3:11A bedoelde gevallen geen melding als in die artikelen bedoeld heeft gedaan. 2. De burgemeester kan de vergunning intrekken, indien: a. naar zijn oordeel gehandeld wordt in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften; b. er sprake is van een wijziging in de aard van de horeca-inrichting; c. naar zijn oordeel gehandeld wordt in strijd met de bepalingen van deze afdeling; d. op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning moet worden aangenomen dat intrekking wordt gevorderd door het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning is vereist; e. een vergunninghouder in een periode van twee jaar ten minste drie maal op grond van artikel 3:11A, om bijschrijving van een persoon op het aanhangsel bij de vergunning heeft verzocht en de burgemeester die wijziging van het aanhangsel tenminste driemaal heeft geweigerd op grond van artikel 3:11A lid 6.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel