**1..** De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, wordt geheven bij wege van voldoening op aangifte en moet worden betaald bij de aanvang van het parkeren. Als voldoening op aangifte wordt aangemerkt het bij de aanvang van het parkeren in werking stellen van de parkeerapparatuur op de daartoe bestemde wijze en met inachtneming van de door het college van burgemeester en wethouders gestelde voorschriften. In afwijking van het voorafgaande moet de belasting overeenkomstig de aangifte worden betaald binnen twee maanden na het einde van het parkeren, indien het parkeren aanvangt door middel van het via de telefoon inloggen op de centrale computer.
**2..** De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b, wordt geheven bij wege van een mondelinge dan wel gedagtekende schriftelijke kennisgeving, waaronder mede wordt begrepen een stempelafdruk, zegel, nota of ander schriftuur.
**3..** In afwijking van artikel 9, eerste lid van de Invorderingswet 1990 moet de belasting, als bedoeld in artikel 2, onderdeel b, worden betaald ingeval de kennisgeving als bedoeld in het tweede lid:
mondeling wordt gedaan, op het moment van het doen van de kennisgeving;
schriftelijk wordt gedaan, op het moment van uitreiken van de kennisgeving, dan wel in geval van toezending daarvan, binnen 14 dagen na de dagtekening van de kennisgeving.
**4..** Een naheffingsaanslag moet terstond worden betaald.
**5..** De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in het tweede en het derde lid gestelde termijnen.
Artikel 7
Wijze van heffing en termijnen van betaling
Onderdeel van Verordening op de heffing en invordering van parkeerbelastingen