Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 4

Artikel 4

Onderdeel van Beleidsregels planologische kruimelgevallen (2015)

1.. een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan, mits, voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, wordt voldaan aan de volgende eisen: niet hoger dan 5 m, tenzij sprake is van een kas of bedrijfsgebouw van lichte constructie ten dienste van een agrarisch bedrijf, de oppervlakte niet meer dan 150 m2; Onder deze eerste algemene kruimelcategorie vallen, mede gelet op de definitie van bijbehorend bouwwerk in het Bor, drie verschillende type categorieën uitbreidingen, te weten: (A) uitbreidingen van het hoofdgebouw zelf: o.a. erker, balkon, koekoek, kelder, nieuwe bouwlaag, uitbreidingen door middel van (complete) gevelverplaatsingen en (volledige) dakophogingen Nb. Dakopbouwen en dakterrassen op het hoofdgebouw worden beschouwd en gereguleerd onder artikel 4, lid 4 – categorie E – een lex specialis regeling ten opzichte van lid 1 voor bepaalde ‘bijbehorende bouwwerken’, uitbreidingen van het hoofdgebouw. 7 Vgl. Rb. Noord-Holland 17-12-2014, ALK 14/1129 (ECLI:NL:RBNHO:2014:11787). (B) uitbreidingen door toevoeging van een bijbehorend bouwwerk: erfbebouwing zoals aan- uitbouwen, bijgebouwen, mantelzorgwoningen, carports, serres, plantenkassen (C) uitbreidingen van het bijbehorende bouwwerk: vergroting van bestaande erfbebouwing Regel 1: Onderstaand beleid met betrekking tot artikel 4.1, categorie A1 t/m A4, B en C, is alleen van toepassing indien: het hoofdgebouw een woning betreft (niet zijnde een woonwagen of woonboot), gelegen binnen de bebouwde kom. De gedachte om de beleidsregel toe te spitsen op woningen binnen de bebouwde kom, komt voort uit het feit dat er bij woningen altijd een specifiek belang aanwezig is tot vergroting van het woongenot (door middel van vergroting van de woning en de bijbehorende bouwwerken) in relatie tot de belangen van omwonenden. Met onderstaande criteria wordt het belang van vergroting van het woongenot in evenredigheid gebracht met de belangen van de (direct) omwonenden in een stedelijke omgeving. Bij woningen buiten de bebouwde kom zijn de belangen meer casusafhankelijk en individueel bepaald. Door woningen buiten de bebouwde kom niet onder deze beleidsregel te laten vallen kan maatwerk worden geleverd zonder dat daarbij afgeweken hoeft te worden van vastgesteld beleid. Categorie A – Uitbreiding van het hoofdgebouw A1. Erker De criteria zijn als volgt: alleen toegestaan op of boven eigen terrein aan de voorgevel; maximaal 1 m overschrijding van de bouwgrens; maximale oppervlakte gelegen buiten bouwvlak bedraagt in totaal 6 m2; afstand van erker tot een zijdelingse erfgrens bedraagt minimaal 0,5 m tenzij geschakeld met een naburige erker; niet hoger dan de hoogte van de betreffende bouwlaag plus 0,3 m (exclusief de hoogte van een bovengelegen balkon). Nb. Erkers aan de zij- of achtergevel van de eerste bouwlaag worden beschouwd als erfbebouwing (aanbouw/uitbouw) en vallen onder de categorie (B) van bijbehorende bouwwerken en (dienen te) liggen in het achtererfgebied. In verband met de benodigde isolatie en dakbedekking wordt een extra hoogte van 0,30 m toegestaan. A2. Balkon De criteria zijn als volgt: aan voor- en zijgevels toegestaan tot 1 m buiten het bouwvlak; aan de achtergevel toegestaan tot 1,5 m buiten het bouwvlak; minimaal 2 m afstand tot de erfgrens (tenzij het een balkon betreft gepositioneerd op een erker aan de voorgevel conform categorie A1); constructie op palen niet toegestaan; hoogte van het hekwerk (excl. constructie/vloer) maximaal 1,20 m; voorzien van privacy scherm indien dit noodzakelijk wordt geacht ter bescherming van de naburige privacy. Ingevolge artikel 50 lid 1 van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek geldt dat naburige eigenaren een afstand van 2 meter tot de erfgrens dienen te respecteren bij het realiseren van muuropeningen of balkons of dergelijke voor zover deze uitzicht geven op het erf. Deze beperking zal in voorkomende gevallen bij aaneengesloten bebouwing tot gevolg hebben dat een gevel onvoldoende breed is voor de realisatie van een balkon als effectieve buitenruimte. Het gegeven dat een balkon (aan het hoofdgebouw) is te beschouwen als een uitbreiding van het hoofdgebouw zelf en daarmee valt onder de definitie van bijbehorend bouwwerk is onder andere bevestigd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bij uitspraak van 11 december 2013. 8 ABRvS 11-12-2013, nr. 201300191/1/A1 (ECLI:NL:RVS:2013:2364, TBR 2014/26). A3. Koekoek De criteria zijn als volgt: alleen toegestaan op eigen terrein; maximaal 1 m buiten bouwvlak; vlak afgedekt met doorvalbeveiliging; maximaal 2 koekoeken aan één gevel. A4. Kelder / Souterrain De criteria zijn als volgt: uitsluitend te bouwen binnen het bouwvlak (uitzondering voor koekoek) b. uitsluitend 1-laags met een maximale diepte van 3 m onder peil, c. toestemming van de waterbeheerder in geval van mogelijke consequenties voor waterstromen. In verband met potentiële grondwaterproblemen en/of de waterbergingscapaciteit op eigen erf zijn geen beleidsmatige regels opgesteld voor kelders buiten het bouwvlak. Aanvragen daaromtrent vallen niet onder categorie A4 en worden als uitbreidingen met of van bijbehorende bouwwerken gezien. Dergelijke aanvragen vallen buiten de reikwijdte van deze beleidsregels en worden per concreet geval beoordeeld. A5. Overige vergrotingen hoofdgebouw zelf Deze restcategorie valt buiten de reikwijdte van dit beleid. Aanvragen omtrent uitbreidingen van het hoofdgebouw zelf - ten aanzien van woningen niet genoemd onder A1 t/m A4 - worden per concreet geval beoordeeld. Hieronder worden in ieder geval verstaan bouwplannen voor het toevoegen van een nieuwe bouwlaag op een bestaand gebouw, het verplaatsen of optrekken van complete gevels dan wel het uitbouwen over meerdere bouwlagen. Categorie B – Uitbreidingen met een bijbehorend bouwwerk Ten aanzien van deze categorie (erfbebouwing bij woningen) heeft de wetgever vergunningsvrij dusdanig veel ruimte geboden, dat hetgeen vergunningsvrij valt te realiseren tevens als maximum wordt aangemerkt voor het bebouwingsvolume in deze beleidsregel. Regel 2: de maximale hoeveelheid aan vergunningsvrij te realiseren bijbehorende bouwwerken geeft het maximale bebouwingsvolume in het bebouwingsgebied Dit standpunt strookt met de door de wetgever voorgestane planologische totaalbenadering omtrent de maximale hoeveelheid erfbebouwing binnen het bebouwingsgebied, zoals opgenomen in onderstaand artikel: Artikel 2, onder f, Bijlage II van het Bor 1° in geval van een bebouwingsgebied kleiner dan of gelijk aan 100 m2: 50% van dat bebouwingsgebied, 2° in geval van een bebouwingsgebied groter dan 100m2 en kleiner dan of gelijk aan 300 m2: 50 m2, vermeerderd met 20% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 100 m2, 3°. in geval van een bebouwingsgebied groter dan 300 m2: 90 m2, vermeerderd met 10% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 300 m2, tot een maximum van in totaal 150 m2 »Geen aanvullend afwijkingsbeleid op dit onderdeel. Zie regel 2. Bovenstaand artikel schematisch weergegeven: Hetgeen vergunningsvrij valt te realiseren staat benoemd in artikel 2 van Bijlage II van het Bor. Hieronder wordt per onderdeel aangegeven of en wat er nog aan aanvullende afwijkingsmogelijkheden in deze beleidsregels wordt geboden met betrekking tot de categorie van erfbebouwing. Artikel 2, Bijlage II van het Bor Een op de grond staand bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan in achtererfgebied, mits wordt voldaan aan de volgende eisen: a. voor zover op een afstand van niet meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw, niet hoger dan: 1°. 5 m, 2°. 0,3 m boven de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw, en 3°. het hoofdgebouw, » Geen aanvullend afwijkingsbeleid op dit onderdeel b. voor zover op een afstand van meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw: 1°. indien hoger dan 3 m: voorzien van een schuin dak, de dakvoet niet hoger dan 3 m, de daknok gevormd door twee of meer schuine dakvlakken, met een hellingshoek van niet meer dan 55°, en waarbij de hoogte van de daknok niet meer is dan 5 m en verder wordt begrensd door de volgende formule: maximale daknokhoogte [m] = (afstand daknok tot de perceelsgrens [m] x 0,47) + 3 2°. functioneel ondergeschikt aan het hoofdgebouw, tenzij het betreft huisvesting in verband met mantelzorg, » Geen aanvullend afwijkingsbeleid op dit onderdeel c. op een afstand van meer dan 1 m vanaf openbaar toegankelijk gebied, tenzij geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn; » Niet van Toepassing. d. een verblijfsgebied, in geval van meer dan een bouwlaag, uitsluitend op de eerste bouwlaag; » Aanvullend afwijkingsbeleid mogelijk met beoordeling per concreet geval. e. niet voorzien van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte; » Aanvullend afwijkingsbeleid mogelijk, zie E3. Categorie C. Vergroting van bestaande erfbebouwing Zoals eerder onder categorie B reeds vermeld heeft de wetgever vergunningsvrij dusdanig veel ruimte geboden voor bebouwing in het achtererfgebied dan wel bebouwingsgebied bij woningen, dat hetgeen vergunningsvrij valt te realiseren tevens als maximum wordt aangemerkt voor het bebouwingsvolume in deze beleidsregel. Dit is reeds opgenomen in Regel 2. Het is evident dat deze bovengrens ook geldt in het geval van vergroting van bestaande erfbebouwing. Dit is vervat in Regel 3. Regel 3: Vergroting van bestaande erfbebouwing is slechts mogelijk tot hetgeen vergunningsvrij is toegestaan. 2.. een gebouw ten behoeve van een infrastructurele of openbare voorziening (…) Deze categorie van planologische kruimelgevallen valt buiten de reikwijdte van dit beleid. Aanvragen hieromtrent worden per concreet geval beoordeeld. Artikel 2, onderdeel 18, onder a van Bijlage II van het Bor, geeft aan dat vergunningsvrij een bouwwerk van max. 15 m² en niet hoger dan 3 m mag worden gerealiseerd. Dit is in de meeste gevallen voor dit soort voorzieningen, voldoende. Een nog ruimere voorziening kan, maar verwacht wordt dat dit zeer sporadisch voorkomt, waardoor per geval wordt bekeken of hieraan toepassing wordt gegeven. 3.. Categorie D. Bouwwerk geen gebouw zijnde een bouwwerk, geen gebouw zijnde, of een gedeelte van een dergelijk bouwwerk, mits wordt voldaan aan de volgende eisen: a. niet hoger dan 10 m, en b. de oppervlakte niet meer dan 50 m²; D1. Erfafscheidingen In artikel 2 van Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht zijn reeds aanzienlijke mogelijkheden opgenomen om vergunningsvrij een erfafscheiding te realiseren. Hierbij wordt aansluiting gezocht, waardoor er op grond van artikel 4, derde lid van Bijlage II van het Bor omgevingsrecht in beginsel geen medewerking wordt verleend ten aanzien van (hogere) erfafscheidingen. » Geen aanvullend afwijkingsbeleid ten aanzien van vergunningsvrij D2. Overkappingen en carports Overkappingen en carports zijn geen gebouwen, echter ze vallen wel onder de definitie van ‘bijbehorende bouwwerken’. Gelet hierop dienen zij mee te tellen in de planologische totaalbenadering ten aanzien van de hoeveelheid aan bebouwing in het bebouwingsgebied. Dientengevolge geldt dat Regels 2 en 3 ook van toepassing zijn op deze categorie D2. Deze kruimelcategorie kan daarnaast wel ook voor andere hoofdgebouwen dan woningen worden toegepast. De criteria zijn: Regels 2 en 3 zijn van toepassing. Uitsluitend te realiseren in het achtererfgebied D3. Overige bouwwerken geen gebouw zijnde Voor overige bouwwerken geen gebouw zijnde, zoals pergola’s, luifels, en vlaggenmasten geldt het navolgende. Per concreet geval wordt bekeken of aan deze mogelijkheid toepassing wordt gegeven. 4.. Categorie E. Dakuitbreidingen en ondergeschikte toevoegingen een dakkapel, dakopbouw of gelijksoortige uitbreiding van een gebouw dan wel de uitbreiding van een bouwwerk met een bouwdeel van ondergeschikte aard; E1. Dakkapel In recente bestemmingsplannen is bij de wijze van meten opgenomen dat indien dakkapellen (gezamenlijk) breder dan 50% van het dakvlak zijn, er een (tweede) goothoogte wordt gecreëerd. Dat betekent dat dergelijke dakkapellen strijdig zijn met het bestemmingsplan indien er wordt gebouwd boven de maximaal toegestane goothoogte. Hiermee is in beginsel een grens gegeven ten aanzien van de omvang van dakkapellen, welke niet reeds al vergunningsvrij zouden kunnen worden gerealiseerd. Voor het overige bevatten de bestemmingsplannen geen inhoudelijke regels omwille van de geringe ruimtelijke uitstraling van dakkappelen én teneinde via het kruimelgevallenbeleid beter te kunnen inspringen op wijzigingen in regelgeving of maatschappelijke behoeften. De criteria om dakkapellen in afwijking van het bestemmingsplan toe te staan, zijn: uitsluitend toegestaan op het hoofdgebouw zijnde een woning; bij een achtergevel of niet naar openbaar gebied gerichte zijgevel: (tezamen of los) niet breder dan 2/3 van de betreffende dakvlakbreedte , bij een voorgevel of naar openbaar gebied gerichte zijgevel: (tezamen of los) niet breder dan 1/2 van de betreffende dakvlakbreedte; bij een zijgevel mogen geen kijkopeningen worden gecreëerd binnen 2 m tot een naburige erfgrens; bij meerdere dakkapellen op een doorgaand dak: regelmatig geordend op een horizontale lijn (plaatsing boven elkaar niet toegestaan); zijkanten dicht; voorzien van een plat dak, of bij een dakhelling met meer dan 60° desgewenst een aangekapte dakkapel; gemeten vanaf de voet van de dakkapel niet hoger dan 1,75 m, onderzijde meer dan 0,5 m boven de dakvoet, bovenzijde meer dan 0,5 m onder de daknok, zijkanten meer dan 0,5 m van de zijkanten van het dakvlak. E2. DAKTERRAS op hoofdgebouw De criteria zijn: het dakterras incl. hekwerk wordt gerealiseerd op een plat dak; het dakterras incl. hekwerk mag niet worden gerealiseerd op/over dakkapellen, dakopbouwen of dakuitbouwen; aan de zijde gericht naar openbaar gebied dient het dakterras incl. hekwerk aan de 45-graden regel te voldoen (tenzij d van toepassing); bij een kapverdieping dient de afstand van het dakterras incl. hekwerk, tot de dakranden met een hellingshoek minimaal 3 m te bedragen; aan de achterzijde mag een dakterras tot de achtergevelrooilijn worden geplaatst; de minimale afstand tot de zijdelingse perceelsgrens bedraagt 2 m (tenzij expliciete schriftelijke toestemming van de naburige eigenaar); de constructiehoogte (excl. hekwerk en bestaande dakconstructie) van het dakterras bedraagt maximaal 0,2 meter; hoogte van het hekwerk (excl. constructie/vloer) bedraagt maximaal 1,20 m. E3. DAKTERRAS op bijbehorend bouwwerk De criteria hiervoor zijn: uitsluitend toegestaan op vergunningsvrij te realiseren direct aan het hoofdgebouw aangebouwde bijbehorende bouwwerken (vaste aanbouw/uitbouw); uitsluitend toegestaan met inachtneming van een minimale afstand van 2 m tot een naburige erfgrens (tenzij expliciete schriftelijke toestemming van de naburige eigenaar); het dakterras incl. hekwerk wordt gerealiseerd op een plat dak; de constructiehoogte (excl. hekwerk en bestaande dakconstructie) van het dakterras bedraagt maximaal 0,2 meter; hoogte van het hekwerk (excl. constructie/vloer) bedraagt maximaal 1,20 m. E4. DAKOPBOUW / DAKUITBOUW Omdat er dusdanig veel varianten mogelijk zijn ten aanzien van dakopbouwen en dakuitbouwen worden alle aanvragen omtrent deze categorie per concreet geval beoordeeld. Indien een dakopbouw een volwaardige bouwlaag betreft valt deze formeel te beschouwen als een aanvraag tot vergroting van het hoofdgebouw zelf welke valt onder categorie A5. Echter, ook ten aanzien van die categorie is bepaald dat aanvragen daaromtrent per concreet geval worden beoordeeld. E5. OVERIGE ondergeschikte (dak) toevoegingen De criteria hiervoor zijn: uitsluitend toegestaan bij bouwdelen van ondergeschikte aard in het geval van schoorstenen, liftinstallaties, ventilatiekanalen, airco-units, luchtbehandelingsinstallaties, glazenwassersinstallaties, zonnepanelen, brandtrappen of bouwwerken die samenhangen met installaties binnen het gebouw (reclameborden niet toegestaan); voor zover het geen schoorstenen betreft, dient de afstand tot de voorgevel en/of zijgevel gericht naar openbaar toegankelijk gebied ten minste gelijk te zijn aan de hoogte van de betreffende installatie (“45-graden regel”). 5.. een antenne-installatie, mits niet hoger dan 40 m; Deze categorie van planologische kruimelgevallen valt buiten de reikwijdte van dit beleid. Aanvragen hieromtrent worden per concreet geval beoordeeld. 6.. een installatie bij een glastuinbouwbedrijf voor warmtekrachtkoppeling, bedoeld in artikel 1, lid 1 onder w van de Elektriciteitswet 1998; Deze categorie van planologische kruimelgevallen valt buiten de reikwijdte van dit beleid. Aanvragen hieromtrent worden per concreet geval beoordeeld 7.. een installatie bij een agrarisch bedrijf waarmee duurzame energie wordt geproduceerd door het bewerken van uitwerpselen van dieren tot krachtens artikel 5, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet aangewezen eindproducten van een krachtens dat artikellid omschreven bewerkingsprocedé dat ziet op het vergisten van ten minste 50 gewichtsprocenten uitwerpselen van dieren met in de omschrijving van dat procedé genoemde nevenbestanddelen; Deze categorie van planologische kruimelgevallen valt buiten de reikwijdte van dit beleid. Aanvragen hieromtrent worden per concreet geval beoordeeld 8.. Categorie F het gebruiken van gronden voor een niet-ingrijpende herinrichting van openbaar gebied; Deze nieuwe categorie van planologische kruimelgevallen ziet bijvoorbeeld op het toevoegen van een aantal parkeerplaatsen in een groenstrook, het verleggen van trottoirs of het aanbrengen van groenvoorzieningen. Bij het beantwoorden van de vraag of er al dan niet sprake is van een ingrijpende herinrichting van openbaar gebied, zullen onder andere moeten worden betrokken de te verwachten gevolgen van de herinrichting voor omwonenden en gebruikers van het desbetreffende gebied. De overige criteria zijn verder o.a.: Het mag niet gaan om meer dan 10 parkeerplaatsen in een aaneengesloten gebied of straatzijde; Het mag niet ten koste gaan van waardevolle/monumentale bomen in de zin van vigerend gemeentelijk beleid (Bomenlijst); Adviezen vanuit de verschillende disciplines, zoals Verkeer/Parkeren, Groen en Openbare Ruimte moeten positief zijn. 9.. Categorie G het gebruiken van bouwwerken, eventueel in samenhang met bouwactiviteiten die de bebouwde oppervlakte of het bouwvolume niet vergroten, en van bij die bouwwerken aansluitend terrein, mits, voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, het uitsluitend betreft een logiesfunctie voor werknemers; De criteria zijn: Uitsluitend toegestaan ten aanzien van bestaande opstallen opgericht meer dan 1 jaar geleden 9 Bepalend voor de periode van 1 jaar is de datum van oprichting van het hoofdgebouw. Cumulatie met een andere categorie van de kruimelgevallenlijst als bedoeld in artikel 4 van Bijlage II van het Bor wordt niet toegestaan; Gebruikswijzigingen naar niet-perifere detailhandel worden niet toegestaan, tenzij het een locatie betreft in of aansluitend aan een centrum/winkelgebied, waarbij supermarkten per concreet geval worden beoordeeld; Gebruikswijzigingen mogen geen onevenredige afbreuk doen aan de functie van het kernwinkelgebied 10 Onder kernwinkelgebied wordt verstaan: het gebied zoals aangeduid in kaart blad 2b van het bestemmingsplan Breestraat e.o. (2008). in rond de Breestraat; Alleen mogelijk indien de gebruikswijziging niet leidt tot parkeer-, stank-, geluid- of verkeersoverlast voor de omgeving; Indien de wijziging betrekking heeft op uitbreiding van het aantal woningen of bij een andere gebruikswijziging met redelijke impact, kan worden verlangd dat inzicht wordt gegeven in de ruimtelijke effecten (op basis van artikel 4:4 Bor en 3:2 Mor). Eisen aan deze onderbouwing worden per aanvraag vastgesteld; Indien nodig kan gebruik gemaakt worden van de mogelijkheid om in overleg met de aanvrager de beslistermijn op te schorten. Deze kruimelcategorie is laatstelijk gewijzigd per 1 november 2014. Daarbij is bepaald dat de eis van het aantal woningen niet mag wijzigen, neergelegd in artikel 5 van bijlage II van het Bor, niet meer geldt voor deze categorie. Tevens is de oppervlakte begrenzing van 1500 m2 losgelaten ten gevolge waarvan de reikwijdte van deze kruimelmogelijkheid bijzonder groot geworden is. In het kader van zorgvuldigheid en goede ruimtelijke ordening zijn een aantal randvoorwaarden neergelegd in deze beleidsregels. In het kader van de rechtszekerheid omtrent een (nieuw) bestemmingsplan of een recent verleende omgevingsvergunning wordt een periode van minimaal 1 jaar geïntroduceerd, na oprichting van het betreffende gebouw, alvorens het toegewezen / aangevraagde gebruik weer kan worden omgezet via dit artikel naar een geheel ander gebruik. Onder ‘het gebruik’ in dit artikel wordt dus niet het juridische (en wellicht nooit gerealiseerde) gebruik verstaan. Teneinde de resterende beperking omtrent het bebouwd oppervlakte of het bouwvolume, niet te passeren, wordt cumulatie met bijvoorbeeld artikel 4, lid 1, niet toegestaan. Tenslotte zijn bepalingen opgenomen om zoveel mogelijk detailhandel te clusteren en de functie van het kernwinkelgebied in en rond de Breestraat te beschermen. 10.. het gebruiken van een recreatiewoning voor bewoning, mits wordt voldaan aan de volgende eisen: a. de recreatiewoning voldoet aan de bij of krachtens de Woningwet aan een bestaande woning gestelde eisen; b. de bewoning niet in strijd is met de bij of krachtens de Wet milieubeheer, de Wet ammoniak en veehouderij en de Wet geurhinder en veehouderij gestelde regels of de Reconstructiewet concentratiegebieden; c. de bewoners op 31 oktober 2003 de recreatiewoning als woning in gebruik had en deze sedertdien onafgebroken bewoont, en d. de bewoner op 31 oktober 2003 meerderjarig was. Niet toegestaan binnen het kader van deze beleidsregels. Permanente bewoning van recreatiewoningen wordt om diverse redenen als ongewenst beschouwd. Aan de geformuleerde criteria zal bovendien niet of nauwelijks (meer) in voorkomende gevallen kunnen worden voldaan. 11.. ander gebruik van gronden of bouwwerken dan bedoeld in de onderdelen 1 tot en met 10, voor een termijn van ten hoogste tien jaar. Deze categorie van planologische kruimelgevallen valt buiten de reikwijdte van dit beleid. Aanvragen hieromtrent worden per concreet geval beoordeeld. Opgemerkt wordt dat omwille van de rechtszekerheid en handhaafbaarheid terughoudend met deze discretionaire bevoegdheid zal worden omgegaan. Het moet aannemelijk zijn dat het gaat om een tijdelijke situatie en dat na de termijn het afwijkende gebruik ook daadwerkelijk beëindigd zal worden.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel