Het college kan een voorziening beëindigen als:
de persoon die aan de voorziening deelneemt zijn verplichting
als bedoeld in de artikelen 9 en 17 van de P-wet of de artikelen
13 en 37 van de IOAZ/IOAW niet (langer) nakomt;
de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer behoort
tot de doelgroep re-integratie;
de persoon die aan de voorziening deelneemt algemeen
geaccepteerde arbeid aanvaardt waarbij geen gebruik wordt
gemaakt van een in deze verordening genoemde voorziening, tenzij
het betreft een persoon als bedoeld in artikel 7, eerste lid,
onderdeel a, onder 2, van de P-wet;
naar het oordeel van het college de voorziening onvoldoende
bijdraagt aan een snelle arbeidsinschakeling of niet meer
geschikt is voor de persoon die gebruik maakt van de
voorziening;
de persoon die aan de voorziening deelneemt niet naar behoren
gebruik maakt van de aangeboden voorziening;
de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer voldoet
aan de voorwaarden die in deze verordening en de beleidsregels
worden gesteld om in aanmerking te komen voor die
voorziening.
door het college wordt vastgesteld dat voortzetting van de
voorziening niet wenselijk is, omdat de participatiepartner niet
of in onvoldoende mate aan de op hem rustende verplichtingen
krachtens het Burgerlijk Wetboek en/of de geldende voorwaarden
voldoet.
§ 2.2
Artikel 5
Beëindigen van een voorziening
Onderdeel van Verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz gemeente Oisterwijk 2016