Binnenhavengeld wordt niet geheven ter zake van:
1. Het gebruik van de haven ter zake waarvan zeehavengeld wordt geheven; of van vaartuigen welke onder de woonschepenverordening vallen;
2. Vaartuigen, die in eigendom toebehoren aan de leden van het Koninklijk Huis;
3. Doorvarende binnenvaartuigen, met uitzondering van ladende/lossende vaartuigen, zeilende bedrijfsvaartuigen, sportvissersschepen en passagiersschepen, die tot een verblijf van maximaal 6 uren, zon- en erkende christelijke feestdagen niet meegerekend, ligplaats innemen;
4. Reddingsvaartuigen van de Koninklijke Nederlandse Reddingsmaatschappij, benevens opleidingsvaartuigen voor zee- en binnenvaart, zolang zij uitsluitend voor dit doel worden gebruikt;
5. Hospitaalschepen, bedoeld bij de wet van 29 september 1906, S.383;
6. Pleziervaartuigen, liggende in de door de gemeente als jachthaven verhuurde wateren, te weten de Noorderhaven en het als zodanig in gebruik zijnde deel van de Noordergracht en de Noordoostersingel;
7. Pleziervaartuigen, niet vallende onder punt 6, gedurende een periode van 3 uur, zon- en algemeen erkende christelijke feestdagen niet meegerekend, na aanvang van het verblijf;
8. Boten behorende bij een vaartuig, waarvoor havengeld is betaald, of waarvoor krachtens deze verordening geen havengeld is verschuldigd;
9. Binnenschepen liggende aan de geleidewerken van de Tjerk Hiddessluizen, wachtende op de eerste schutting;
10. Vaartuigen kleiner dan 4 meter;
11. Zeilende bedrijfsvaartuigen, die meerdere keren in één etmaal de haven van Harlingen bezoeken, betalen slechts éénmaal binnenhavengeld.
Artikel 7
Vrijstellingen
Onderdeel van Verordening op de heffing en de invordering van Binnenhavengeld 2010