De verantwoordelijkheid voor de inhoud van het godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs berust bij instanties, die dit onderricht doen geven. Zij zorgen ervoor dat dit onderwijs op psychologisch-didactisch verantwoorde wijze wordt gegeven.
Het onderwijs wordt in de schoolgebouwen gegeven aan de leerlingen van de daarvoor in aanmerking komende klassen gedurende de daarvoor op de lesroosters van de scholen vrijgegeven uren, voor zover de ouders, voogden of verzorgers daarom hebben verzocht.
De met het geven van godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs belaste personen onthouden zich van iets te leren, te doen of toe te laten wat in strijd is met de algemeen geldende wettelijke bepalingen. Zij volgen de aanwijzingen op van de schoolleider en verstrekken hem alle gewenste inlichtingen.
Hoofdstuk
Artikel 4
Algemene bepaling
Onderdeel van Subsidieverordening godsdienst en levensbeschouwelijke vormingsonderwijs