Naar hoofdinhoud

Artikel 6

Forfaitaire berekeningswijze van de maatstaf van heffing

Onderdeel van Verordening op de heffing en de invordering van toeristenbelasting 2016

1.. Het aantal personen dat heeft overnacht, wordt met betrekking tot: vakantie-onderkomens, mobiele kampeeronderkomens en stacaravans, op vaste standplaatsen en in hoofdzaak bestemd voor het verblijf houden voor één of meer leden van een zelfde huishouden gedurende de periode 1 maart tot en met 31 oktober bepaald op 2,73; vakantie-onderkomens, mobiele kampeeronderkomens en stacaravans, op vaste standplaatsen en in hoofdzaak bestemd voor het verblijf houden door één of meer leden van een zelfde huishouden gedurende de periode 1 januari tot en met 31 december bepaald op 2,4; mobiele kampeeronderkomens op een niet vaste standplaats bepaald op 2,88. 2.. Het aantal malen dat door de in het eerste lid bedoelde personen is overnacht, wordt: ingeval verblijf wordt gehouden in vakantie-onderkomens, mobiele kampeeronderkomens en stacaravans op vaste standplaatsen gedurende de periode 1 maart tot en met 31 oktober, bepaald op 60; ingeval verblijf wordt gehouden in vakantie-onderkomens, mobiele kampeeronderkomens en stacaravans op vaste standplaatsen gedurende de periode 1 januari tot en met 31 december, bepaald op 80; ingeval verblijf wordt gehouden in mobiele kampeeronderkomens op niet vaste standplaatsen, bepaald op 365. 3.. Het aantal mobiele kampeeronderkomens als bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder c, wordt vastgesteld op het gemiddelde van een zestal tellingen gedurende het belastingjaar, waarbij iedere telling valt binnen een afzonderlijke periode van twee maanden. 4.. In afwijking van het bepaalde in het eerste tot en met derde lid,wordt op schriftelijk verzoek van de belastingplichtige de jaarlijks verschuldigde belasting bepaald op een vast bedrag. Dit bedrag wordt afgestemd op de jaarlijkse verschuldigde belasting berekend overeenkomstig het bepaalde in het eerste tot en met derde lid van dit artikel en jaarlijks verhoogd met het kalenderjaargemiddelde van het CBS-indexcijfer voor de gezinsconsumptie voor alle huishoudens. 5.. Het verzoek als bedoeld in het vierde lid, alsmede het tegenbericht als bedoeld in het zesde lid van dit artikel, dient te worden ingediend bij het college van burgemeester en wethouders vóór 1 januari van het jaar, waarop het verzoek c.q. het tegenbericht betrekking heeft. 6.. Het verzoek als bedoeld in het vierde lid van dit artikel wordt zonder tijdig tegenbericht van één der partijen stilzwijgend verlengd. 7.. In de gevallen waarin gebruik is gemaakt van de mogelijkheid genoemd in het vierde lid van dit artikel, vinden eenmaal per periode van vijf jaar tellingen plaats conform het bepaalde in het eerste tot en met derde lid van dit artikel. Op basis van de uitkomst van deze tellingen wordt het vaste bedrag als bedoeld in het vierde lid van dit artikel voor het belastingjaar volgende op het jaar van telling opnieuw vastgesteld.

Rechtspraak bij dit artikel