Lid 1
Voor de berekening van het aantal vakantie-uren wordt één werkdag bij een volledige betrekking gelijk gesteld aan 7,2 vakantie-uren.
Lid 2
In afwijking van het bepaalde in het voornoemde lid wordt bij het opnemen van vakantie het aantal vakantie-uren afgeschreven, dat de medewerker op de betreffende dag(en) feitelijk zou moeten werken. Hierbij wordt gekeken naar het afgesproken werkpatroon of de vastgelegde basisafspraken tussen leidinggevende en medewerker.
Lid 3
Bij het toekennen van vakantie wordt, voor zover de belangen van de dienst en die van de andere medewerkers dit toelaten, zoveel mogelijk rekening gehouden met de wensen van de medewerker.
Lid 4
De leden 1, 2 en 3 gelden ook voor levensloopverlof.