**1..** Een lid van de raad, een wethouder, de burgemeester of de secretaris, die door de gemeenteraad is aangewezen tot lid van het algemeen bestuur van een openbaar lichaam of van een ander gemeenschappelijk orgaan, ingesteld op grond van de Wet gemeenschappelijke regelingen, heeft het recht om in de vergadering van de commissie wier werkterrein het betreft, verslag te doen over zaken die in het algemeen bestuur of gemeenschappelijk orgaan als bedoeld aan de orde zijn.
**2..** Ieder lid van de commissie wier werkterrein het betreft kan aan een persoon als bedoeld in het eerste lid, schriftelijke vragen stellen. De regels voor het stellen van schriftelijke vragen, vastgesteld in artikel 45 van het reglement van orde voor de vergaderingen en andere werkzaamheden van de raad, zijn van overeenkomstige toepassing.
**3..** Wanneer een lid van de commissie wier werkterrein het betreft een persoon als bedoeld in het eerste lid ter verantwoording wenst te roepen over zijn wijze van functioneren als zodanig, besluit de commissie over het toestaan daarvan. De regels voor het vragen van inlichtingen, vastgesteld in artikel 47 van het reglement van orde voor de vergaderingen en andere werkzaamheden van de raad, zijn van overeenkomstige toepassing.
**4..** Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op andere organisaties of instituties, waarin de raad één van zijn leden of een collegelid heeft benoemd.
Hoofdstuk VI
Artikel 31