In deze verordening wordt verstaan onder:
autoluwe gebied: het gebied dat fysiek door middel van pollers is afgesloten en wordt begrensd door de borden G7(E10) en C2 en C3 van Bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 en dat is aangegeven op de bij deze verordening behorende en als bijlage A gevoegde kaart;
ontheffing: een in de zin van artikel 87 RVV 1990 door het college te verlenen ontheffing, krachtens welke het is toegestaan om met een voertuig zich in het autoluwe gebied te bevinden;
ontheffinghouder: de natuurlijke of rechtspersoon aan wie de ontheffing is verleend;
motorvoertuig: alle gemotoriseerde voertuigen inclusief bromfietsen en exclusief fietsen met trapondersteuning en gehandicaptenvoertuigen, bestemd om anders dan langs rails te worden voortbewogen;
laden en lossen: het onmiddellijk, nadat het voertuig dichtbij de bezorgplaats of ophaalplaats tot stilstand is gebracht, bij voortduring in- en uitladen van goederen van enig omvang of enig gewicht die bezwaarlijk anders dan per motorvoertuig kunnen worden vervoerd, gedurende de tijd die daarvoor nodig is;
halen en brengen: het onmiddellijk, nadat het voertuig dicht bij de brengplaats of ophaalplaats tot stilstand is gebracht, bij voortduring instappen of uitstappen van een of meerdere personen gedurende de tijd die daarvoor nodig is;
parkeergelegenheid op eigen terrein: een parkeerplaats op een terrein of in een garage in de voetgangerszone in eigendom bij, uitgegeven in erfpacht of verhuurd aan de aanvrager van de ontheffing;
poller: beweegbare paal, geplaatst ter afsluiting van het autoluwe gebied, waar de ontheffinghouder zichzelf met een ontheffingspas of transponder toegang tot het autoluwe gebied kan verschaffen of waar hem door de centrale meldkamer toegang tot het autoluwe gebied kan worden verschaft.
Artikel 1
Begripsomschrijvingen
Onderdeel van nr 10.03 Verordening ontheffingen autoluw gebied Zevenaar 2010