Naar hoofdinhoud
1.. Het college kan binnen 8 weken na ontvangst van de bijstandsaanvraag en voor het zittende bestand op een nader te bepalen moment een toets bij de belanghebbende afnemen, indien de belanghebbende een van de volgende documenten niet kan overleggen: een diploma of een inschrijvingsbewijs van een Nederlandstalige middelbare school in Nederland, de Nederlandse Antillen, Suriname of Vlaanderen; rapporten tot en met groep 8 van een basisschool in Nederland; een diploma van een MBO-, HBO- of universitaire opleiding in Nederland of Vlaanderen; een diploma van een opleiding Nederlands in het buitenland; een diploma inburgering op A2-niveau of hoger; een ander document waaruit blijkt dat de Nederlandse taal op minimaal 1 F voor moedertaalsprekers en A2 voor anderstaligen wordt beheerst; een eigen verklaring dat de belanghebbende tenminste 8 jaar Nederlandstalig basis- en/of vervolgonderwijs heeft gevolgd. Deze verklaring wordt alleen afgenomen bij belanghebbenden die sinds hun geboorte woonachtig zijn in Nederland of voor hun vierde levensjaar in Nederland zijn gevestigd. 2.. Indien de belanghebbende is gestart met een traject in het kader van de Wet inburgering, dan wordt dit beschouwd als voldoende inspanningen van de belanghebbende om de vereiste taalvaardigheden te leren. Het college bewaakt de voortgang. 3.. De taaltoets wordt afgenomen door het ROC en voldoet aan van het besluit taaltoets Participatiewet. 4.. Het ROC legt de doelen en voortgang vast in een taalplan. Het taalplan beschrijft in ieder geval: de manier waarop de belanghebbende de vereiste taalvaardigheden gaat leren; de voortgang en inspanningen die van de belanghebbende worden verwacht; op welke momenten de voortgang en inspanningen worden gemonitord. Dit is minimaal iedere zes maanden.

Rechtspraak bij dit artikel