Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2 › Paragraaf 7

Artikel 2.7.6

Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven en terreinen

Onderdeel van Oldenzaalse Bouwverordening 2012

1.. Ondergrondse doorvoeringen van leidingen door uitwendige scheidingsconstructies van bouw-werken moeten zoveel mogelijk haaks plaatsvinden. De doorvoeringen moeten waterdicht zijn aangewerkt. 2.. De aansluiting van de in het eerste lid bedoelde leidingen aan leidingen van de buitenriolering moet zodanig zijn dat de dichtheid van de aansluiting gehandhaafd blijft bij enige zetting van het bouwwerk of de buitenriolering. 3.. In leidingen, gelegen tussen de gevel van een gebouw en de aansluiting aan een openbaar riool, mogen geen beerputten of rottingputten voorkomen. 4.. Leidingen van de buitenriolering op erven en terreinen mogen geen vernauwingen in de stroom-richting bevatten en moeten een vloeiend beloop hebben, alsmede een voldoende lucht- en wa-terdichtheid en een voldoende binnenwerkse middellijn. Aan beide laatstgenoemde eisen wordt geacht te zijn voldaan, indien wordt voldaan aan het bepaalde in NEN 3215, uitgave 2007. 5.. Onverminderd het bepaalde in het vierde lid, moet een leiding voor de afvoer van afvalwater, fecaliën en hemelwater ter plaatse waar zij de grens van de weg kruist, een binnenwerkse middel-lijn hebben van ten minste 125 mm. 6.. Het materiaal, de sterkte en de vorm van buizen en hulpstukken van leidingen van de buitenriole-ring op erven en terreinen moeten doeltreffend zijn. Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan, indien wordt voldaan aan het bepaalde in de NEN-normen die zijn genoemd in bijlage 1.

Rechtspraak bij dit artikel