De gedragingen bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de wet worden onderscheiden in de volgende categorieën:
Eerste categorie:
het niet, onvoldoende of niet binnen een door het college gestelde termijn nakomen van inlichtingen- en medewerkingsplicht bedoeld in artikel 17 van de wet, als dit niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag ontvangen van bijstand;
het niet of onvoldoende nakomen van een verplichting als bedoeld in hoofdstuk 6, paragraaf 6.3, van de wet.
Tweede categorie:
het niet, onvoldoende of niet binnen een door het college gestelde termijn nakomen van inlichtingen- en medewerkingsplicht bedoeld in artikel 17 van de wet, als dit heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag ontvangen van bijstand.
Derde categorie:
het blijk geven van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan;
het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde arbeid in dienstbetrekking te verkrijgen;
het niet of onvoldoende nakomen van de verplichting tot het gebruik maken van geboden reïntegratievoorzieningen, waaronder begrepen het niet of onvoldoende meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling, scholing of sociale activering.
Vierde categorie:
het door eigen toedoen niet behouden van arbeid in dienstbetrekking;
het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid;
het zich ernstig misdragen jegens het college en de in zijn opdracht werkende ambtenaren en medewerkers;
het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen met betrekking tot Werk Direct;
het door eigen toedoen mislopen van een voorliggende voorziening.