Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3.

Artikel 3.1

Vergunningverlening

Onderdeel van Coffeeshopbeleid Schiedam 2014 – 2018

Een coffeeshop is een horecabedrijf als bedoeld in artikel 2:27, eerste lid, van de APV en moet daarom in het bezit zijn van een exploitatievergunning. Hoofdstuk 4 van de Nota horecabeleid Schiedam 2013–2017 is dan ook van toepassing op coffeeshops, samen met de indieningseisen uit bijlage 5 van die nota. Hetzelfde geldt voor de standaardvergunningvoorschriften en de intrekkings- en wijzigingsstrategieën (bijlagen 6 en 7 van de Nota horecabeleid Schiedam 2013 – 2017). Certificaat cursus Preventie coffeeshopmedewerker Dit betekent dat een coffeeshopexploitant hetzelfde aanvraagformulier voor een exploitatievergunning moet invullen als een ander horecabedrijf en dat hij dezelfde informatie daarbij moet aanleveren. In aanvulling op deze indieningseisen moet een coffeeshopexploitant voor de houders op de vergunning ook een kopie van het certificaat bijvoegen waaruit blijkt dat zij de cursus Preventie coffeeshopmedewerker hebben gevolgd. Indien een houder nog niet in het bezit is van een dergelijk certificaat moet de coffeeshopexploitant een bewijs van inschrijving overleggen waaruit blijkt dat de houder deelneemt aan de eerstvolgende cursusmogelijkheid. In dat geval wordt deze persoon bijgeschreven op de exploitatievergunning, waarbij de vergunningsvoorwaarde wordt opgenomen dat deze persoon deelneemt aan de eerstvolgende cursus. Na het behalen van de cursus moet de exploitant per ommegaande een kopie van het behaalde certificaat aan de gemeente toesturen. BIBOB-toets en administratieve overschrijding handelsvoorraad De coffeeshopbranche is, meer dan andere horeca, gevoelig voor criminele invloeden. Om deze reden zal het Bureau BIBOB standaard worden verzocht om een onderzoek te in te stellen bij de volgende soorten aanvragen: overname van een bestaande coffeeshop door een nieuwe exploitant omzetting van een eenmanszaak naar een vennootschap onder firma Bij de overige aanvragen zal per geval worden beoordeeld of er redenen zijn een (voor)onderzoek BIBOB in te stellen. Voor verdere informatie over een BIBOB-procedure wordt verwezen naar paragraaf 4.1.2 van de Nota horecabeleid Schiedam 2013-2017 en het BIBOB-beleid. De bevoorrading van een coffeeshop valt niet onder het gedoogdbeleid en is nog steeds illegaal. Deze zogeheten achterdeurproblematiek zorgt ervoor dat het Bureau BIBOB al snel zal oordelen dat er ernstige mate van gevaar aanwezig is, wat een grond kan zijn om een vergunningaanvraag af te wijzen. Schiedam gaat hier pragmatisch, maar wel in de geest van het coffeeshopbeleid mee om. Een coffeeshop moet immers bevoorraad worden, maar tegelijkertijd moeten criminele invloeden wel buiten de deur worden gehouden. Daarom zal een advies van bureau BIBOB waarbij enige of ernstige mate van gevaar wordt geconstateerd, in beginsel niet leiden tot het afwijzen van een vergunningaanvraag als er enkel sprake is van activiteiten die noodzakelijk zijn voor een exploitatie van een coffeeshop conform het gedoogbeleid. Alleen als een exploitant antecedenten heeft ten aanzien van het overtreden van artikel 2 of 3 van de Opiumwet[1] of deelname aan een criminele organisatie (niet noodzakelijkerwijs gerelateerd aan drugs) kan een dergelijk advies wel leiden tot een afwijzing van de vergunningaanvraag. Dit alles geldt ook voor een negatief advies van bureau BIBOB dat gebaseerd is op een administratieve overschrijding van het voorraadcriterium, te weten wanneer uit de boekhouding van coffeeshops blijkt dat er meer dan 500 gram cannabis per dag is verkocht, ook al was er op geen enkel moment meer dan 500 gram cannabis in voorraad. Onder dezelfde voorwaarden als hierboven genoemd zal een advies van bureau BIBOB waarbij enige of ernstige mate van gevaar wordt geconstateerd, in beginsel niet leiden tot het afwijzen van een vergunningaanvraag. Overigens blijft het zo dat een advies van bureau BIBOB, dat er sprake is van enige of ernstige mate van gevaar, kan leiden tot vergunningvoorwaarden of weigering van de vergunning, als dit advies is gebaseerd op andere feiten dan achterdeuractiviteiten. Tijdelijke exploitatievergunning Een laatste afwijking van het algemene horecabeleid is dat de exploitatievergunning van een coffeeshop wordt verleend voor de duur van twee jaar. Na deze twee jaar zal de coffeeshop een nieuwe exploitatievergunning moeten aanvragen. In gedachten houdend dat een onderzoek door bureau BIBOB onderdeel kan zijn van de aanvraagprocedure, zullen coffeeshops deze aanvraag minimaal een half jaar voor het verlopen van hun dan geldende exploitatievergunning moeten indienen. [1] Artikel 2 van de Opiumwet behelst het verbod om drugs binnen of buiten het grondgebied van Nederland te brengen, te telen, te bereiden, te bewerken, te verwerken, te verkopen, af te leveren, te verstrekken, te vervoeren, aanwezig te hebben of te vervaardigen. Voor het aanwezig hebben en verkopen van drugs geldt dat dit alleen wordt meegewogen als dit niet in het kader van de gedoogde bedrijfsvoering van een coffeeshop gebeurt. Artikel 3 van de Opiumwet betreft een soortgelijk verbod als artikel 2, alleen dan voor harddrugs.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel