Voor de vorderingen op derden wordt een voorziening wegens oninbaarheid gevormd op basis van een individuele beoordeling op inbaarheid van de openstaande vorderingen. Het college stelt hiertoe periodiek de ‘beleidsregels invordering privaatrechtelijke vorderingen’ en de spelregels inzake het innigs- en incassobeleid vast.
Voor publiekrechtelijke vorderingen betreffende:
onroerende zaakbelasting eigenaren;
precariobelasting;
hondenbelasting;
parkeerbelasting;
rioolheffing;
afvalstoffenheffing; en
bijstandsverstrekking,
wordt een voorziening wegens oninbaarheid gevormd ter grootte van het historische percentage van oninbaarheid. Naarmate de vordering ouder is, wordt een hoger percentage van oninbaarheid gehanteerd.
Voor de overige vorderingen wordt een voorziening wegens oninbaarheid gevormd op basis van een beoordeling op inbaarheid van de openstaande vorderingen ouder dan drie maanden, voor zover deze groter zijn dan € 5.000 per vordering. Bij vorderingen kleiner dan € 5.000 wordt een percentage gestort in de voorziening, afhankelijk van het jaar van ontstaan:
huidig boekjaar 10% van het openstaande bedrag;
boekjaar –1 20% van het openstaande bedrag;
boekjaar –2 40% van het openstaande bedrag;
boekjaar –3 60% van het openstaande bedrag;
boekjaar –4 80% van het openstaande bedrag;
boekjaar –5 en verder 100% van het openstaande bedrag.
Hoofdstuk 3.
Artikel 9.
Voorziening voor oninbare vorderingen
Onderdeel van Financiële verordening Rijswijk 2016