Bij het toekennen van namen aan delen van de openbare ruimte en aan gemeentelijke bouw- en/of kunstwerken worden de volgende uitgangspunten gehanteerd:
De naamgeving van de openbare ruimte, de woonplaats, de wijk, de buurt of van het bouw- en/of kunstwerk wordt zoveel mogelijk “gestuurd” door de intentie, verwoord in het onderliggende plan, van de woonplaats, wijk of buurt of het bouw- of kunstwerk.
Er wordt een samenhang tussen de vormgeving en de naamgeving nagestreefd.
Namen dienen een oriëntatiemogelijkheid in zich te hebben; dit houdt in dat bij nieuwe of vernieuwde wijken er namen worden gegeven van dezelfde soort of groepen van personen, dieren, plaatsen, voorwerpen etc. In bestaande wijken wordt gezocht naar namen die passen in het beeld van de woonplaats, wijk, buurt of openbare ruimte.
Personen dienen 10 jaar of langer overleden te zijn voordat zij vernoemd kunnen worden, uitgezonderd naamgeving naar leden van het Koninklijk Huis.
Plaatselijk, landelijk of internationaal verdienstelijke personen kunnen binnen de 10-jaarstermijn, maar na hun overlijden, worden vernoemd indien de historische en/of hoge maatschappelijke waarde vaststaat. Bij hoge uitzondering kunnen in leven zijnde personen worden vernoemd onder dezelfde voorwaarde. De toetsing hiervan wordt gebaseerd op stukken uit officiële archieven.
Historische namen cq. toponiemen kunnen worden gebruikt in die delen van de gemeente waar zij in vroeger tijden een functie hadden.
Namen dienen praktisch bruikbaar te zijn in administratie, spreektaal en correspondentie. Er worden geen namen gebruikt die visueel of auditief veel op elkaar lijken en die problemen kunnen veroorzaken in telefoon- of mobilofoonverkeer.
Er wordt zoveel mogelijk gebruik gemaakt van Nederlandse namen.
Namen mogen geen aanleiding zijn tot verwarring, verbastering of associaties opwekken aan banale of onwelvoeglijke zaken, begrippen of woorden.
De lengte van namen dient de 24 posities (incl. spaties) niet te overschrijden.
Op naambordjes wordt geen verdere aanduiding opgenomen dan het beroep of de functie van degene die vernoemd wordt. Hierbij gaat het om aanduidingen als “componist”, politicus” etc. Daarnaast is het bij uitzondering en onder strikte voorwaarden, mn vanuit het perspectief van citymarketing bezien, mogelijk om voor buurten identiteitsversterkende onderschriften, andere dan beroep of functie van de vernoemde persoon, op straatnaamborden aan te brengen.
Voor de oude binnenstad (binnen de Vestingwerken) gelden de eerste twee uitgangspunten, genoemd in lid 1 en 2, niet.