Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren waar middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet (zullen) worden bereid, bewerkt, verkocht, verstrekt, vervaardigd of aanwezig (zullen) zijn.
Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren indien de vestiging of exploitatie in strijd is met een geldend bestemmingsplan en/of het bepaalde in artikel 1:8.
In afwijking van artikel 1:8 kan de burgemeester de exploitatie van een openbare inrichting niet toegestaan, indien naar het oordeel van de burgemeester moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed.
Bij de toepassing van het derde lid houdt burgemeester rekening met het karakter van de straat en de wijk, waarin de openbare inrichting is gelegen of zal zijn gelegen, de aard van de openbare inrichting en de spanning, waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie.
De exploitant van een openbare inrichting laat niet toe dat een handelaar of een voor hem handelend persoon in dat bedrijf enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enig andere wijze overdraagt.
De burgemeester kan nadere regels stellen voor de exploitatie van een openbare inrichting.
Het is verboden een terras te plaatsen of te exploiteren op grond dat niet behoort tot de openbare inrichting en/of op gemeentegrond.
Op de weg mogen terrasschotten of parasols niet zijn voorzien van reclame, tenzij het gaat om een product dat in de openbare inrichting wordt verkocht. De reclame-uiting mag uitsluitend worden aangebracht op het niet-transparante deel van het terrasschot.
Drankverstrekking moet direct en uitsluitend vanuit (het besloten deel van) de openbare inrichting plaatsvinden; het is verboden tappunten te plaatsen op het terras.
Het is verboden op een terras versterkte of levende muziek ten gehore te (laten) brengen.
Het terras moet onmiddellijk aansluiten aan (het besloten deel van) de openbare inrichting of in de onmiddellijke nabijheid van (het besloten deel van) de openbare inrichting zijn gelegen.
De exploitant van de openbare inrichting is gehouden te doen en te laten hetgeen redelijkerwijs van hem gevergd kan worden om hinder en overlast, veroorzaakt door in de inrichting en/of op het terras aanwezige bezoekers en/of door komende en vertrekkende bezoekers, te voorkomen of te beperken.
Een vrije doorgang van ten minste 2 meter naar en van de openbare inrichting moet gegarandeerd zijn voor hulpverleningsdiensten zoals brandweer en ambulance.
Brandkranen moeten vrij toegankelijk zijn. In een straal van 0.75 meter mogen geen voorwerpen worden geplaatst.
Hoofdstuk 2. › Afdeling 8.
Artikel 2:28
Exploitatie openbare inrichting
Onderdeel van Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Buren 2016