Naar hoofdinhoud
1.. De aangifte wordt gedaan in de gemeente waar het briefadres zich bevindt op grond van de artikelen 2.38 tot en met 2.40 en 2.43 van de wet. 2.. Het college baseert zijn beoordeling van de aangifte tot briefadres op de benodigde stukken zoals bedoel in artikel 2.45 van de wet. 3.. Onder benodigde stukken als bedoeld in het tweede lid wordt in ieder geval verstaan: een geldig identiteitsbewijs van de aangever; de schriftelijke verklaring van de aangever met reden voor de aangifte en de te verwachten periode dat het briefadres noodzakelijk is; een geldig identiteitsbewijs of een kopie ervan en een schriftelijke verklaring van instemming van de briefadresgever; een ingevulde en ondertekende ‘vragenlijst briefadres’, als het briefadres gevraagd wordt op grond van artikel 2, lid 1; een schriftelijke toestemming van het hoofd van de instelling bij een aangifte van een briefadres met een reden zoals genoemd in artikel 2, lid 2 en 3. 4.. De briefadresgever kan maximaal aan twee gezinshuishoudens of aan twee alleenstaanden of aan een gezinshuishouden en een alleenstaande toestemming geven een briefadres te houden.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel