Naar hoofdinhoud
In dit artikel is opgenomen: een afwegingskader voor het bepalen van de eigen kracht van ouders bij het opheffen van een tekort aan zelfredzaamheid bij de algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL) en een nadere invulling van het begrip ‘mantelzorg’. 3.2 Afwegingskader eigen kracht bij ADL Voldoende eigen kracht van het gezin betekent dat de eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen van het gezin eventueel met inzet van andere personen uit het sociaal netwerk toereikend zijn om de noodzakelijke hulp te bieden. Het college onderzoekt bij de constatering van onvoldoende eigen kracht de mogelijkheden om met de inzet van een andere voorziening, overige voorziening of individuele voorziening te voorzien in de nodige hulp. Als het college in een aanvraagprocedure voor hulp bij de ADL een naar aard en omvang bepaald tekort constateert, dan wordt bekeken of het gezin eventueel met andere personen in het sociaal netwerk voldoende eigen kracht heeft om dit tekort op te heffen. Hiervoor hanteert het college het onderstaand afwegingskader. Het college baseert het afwegingskader op de zelfredzaamheid van de jeugdige en de draagkracht en draaglast verhouding bij de ouders eventueel met inzet van andere personen uit het sociaal netwerk. De zelfredzaamheid wordt bepaald door de (leeftijdsadequate) ontwikkelingstaken van de jeugdige versus de daarbij behorende opvoedingsopgaven van de ouders. Ouders zijn verantwoordelijk voor het bieden van de dagelijkse hulp en zorg aan hun kind die past bij de leeftijd en ontwikkelingsfase van het kind. Dit houdt in: het zorgen voor hun geestelijk en lichamelijk welzijn en het bevorderen van de ontwikkeling. De opvoedopgaven van ouders kunnen intensief, complex en omvangrijk worden afhankelijk van de problematiek, de leeftijd en de ontwikkeling van het kind, maar ook van de draagkracht van de ouder(s); Het college stelt na een onderzoek (afname GIZ) vast of in het individuele geval de draagkracht en draaglast in balans is. Hiervoor wordt een afwegingskader gebruikt dat gebaseerd is op de volgende afwegingsvragen/elementen/onderwerpen: De aard, frequentie en de omvang van de opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen van de jeugdige; De ontwikkelingstaken, de leeftijd en de ontwikkelingsfase van de jeugdige De opvoedingsopgaven voor de ouders van deze jeugdige en De verhouding tussen de draagkracht en draaglast van de ouders. De onderwerpen onder a tot en met d worden in samenhang beoordeeld. Ontwikkelingstaken versus opvoedopgaven Voor minderjarige kinderen (tot 18 jaar) geldt dat ouders hen behoren te verzorgen, op te voeden en toezicht aan hen te bieden, ook als er sprake is van een kind met een ziekte, aandoening of beperking. Ontwikkelingstaken (Spanjaard 2015) zijn de opgaven waar jeugdigen voor staan om zich te ontwikkelen tot goed functionerende volwassenen. Ouders hebben de taak om hen te ondersteunen bij het uitvoeren van de ontwikkelingstaken, door middel van een goede verzorging, disciplinering, steun geven, voorbeeldfunctie vervullen en experimenteerruimte bieden. Dit zijn de zogenaamde opvoedingsopgaven (Van Yperen, 2009) van ouders, die gedurende het opgroeien van jeugdigen verschillen. Deze ontwikkeltaken en opvoedingsopgaven zijn opgenomen in bijlage 1 bij deze beleidsregels en zijn onderdeel van het afwegingskader. Verhelderende vragen (komen tot oordeel balans draagkracht versus draaglast) Het komt voor dat de noodzakelijke zorg op het gebied van verzorging en/of begeleiding van een jeugdige uitgaat boven de zorg die een jeugdige van dezelfde leeftijd zonder beperkingen redelijkerwijs nodig heeft. Als dit gevolgen heeft voor de balans tussen de draagkracht en draaglast van het gezin/gezinsleden met eventueel de inzet van andere personen uit het sociaal netwerk, kan samen met de gemeente gezocht worden naar mogelijkheden en passende oplossingen. Hierbij wordt gekeken naar de leeftijd van de jeugdige, de aard van de zorg, frequentie, duur en impact van deze handelingen op ouders. Het is belangrijk dat alle facetten van de situatie telkens in samenhang en gelet op de omstandigheden van het kind worden beoordeeld. Beoordeeld moet worden of ouders door de situatie zodanig belast worden dat het niet meer redelijk mee loopt in het dagelijkste patroon en dit impact heeft op de draagkracht van het gezin. Wat is er aan de hand? Waar heb je (als jeugdige/als ouder(s)) last van? Wat zijn je ontwikkeltaken (jeugdige) / opvoedopgaven (ouders)? In hoeverre kan het probleemgedrag begrepen worden als een achterstand of belemmering van de ontwikkeling/ mismatch van opvoedopgaven. Voor welke ontwikkelingstaken /opvoedopgaven ontbreken de noodzakelijke vaardigheden? In hoeverre kunnen vaardigheden waarover de jeugdige / de ouder wel beschikt als compensatie worden versterkt en aangewend om het probleemgedrag te verminderen. Hoe is de verhouding draagkracht en draaglast van de jeugdige en van de ouders? Wat moet er gebeuren? Wat is realistisch, wat is goed genoeg? Ligt het probleem bij de ontwikkelingstaken? (te moeilijk) Ligt het probleem bij de vaardigheden? (te weinig) Wat is nodig de gewenst verandering te bereiken? Hoe wordt de gewenste verandering bereikt (wie doet wat?) Wat kun je zelf doen (jeugdige en ouders)? Hoe kan het netwerk hierbij ondersteunen? Zijn er mogelijkheden vanuit het preventieve aanbod? Zijn er mogelijkheden om met de inzet van een andere voorziening, een overige voorziening of een individuele voorziening in nature te voorzien in de nodige ondersteuning, hulp en zorg? Financiële draagkracht De financiële draagkracht wordt getoetst waardoor beoordeeld kan worden of er een financiële noodzaak is om aan ouders voor hun inzet in de thuissituatie een pgb toe te kennen. Er wordt beoordeeld of de inzet thuis werken in de weg staat en of de ouders voldoende kunnen bijdragen aan het noodzakelijk gezinsinkomen. Als een ander persoon uit het sociaal netwerk wordt ingezet, dan worden naast de financiën van ouders ook de financiën van deze persoon beoordeeld. Het ‘persoonlijk budgetadvies’ van de NIBUD wordt gebruikt voor de vaststelling van het huishouden, de gezinsinkomsten en wat een vergelijkbaar huishouden minimaal nodig heeft voor de uitgaven van het huishouden. College vraagt bij jeugdige en de ouders de gegevens en bescheiden op die voor het onderzoek naar de financiële draagkracht nodig zijn en waarover jeugdige en de ouders redelijkerwijs de beschikking kunnen krijgen.

Rechtspraak bij dit artikel