Indien het college op grond van door zijn ingewonnen inlichtingen van oordeel is, dat de ambtenaar niet regelmatig of niet voldoende studeert, waardoor hij niet instaat kan worden geacht zijn studie binnen de vastgestelde termijn te volbrengen, is het college bevoegd de verleende studiefaciliteiten al dan niet tijdelijk in te trekken. Deze intrekking vindt niet plaats, indien de ambtenaar aannemelijk maakt, dat de onregelmatige of onvoldoende studie het gevolg is van feiten of omstandigheden, die niet aan hem zijn te wijten.
De ambtenaar is verplicht de inlichtingen te geven, die het college voor de toepassing van dit hoofdstuk nodig acht.