Het overeenkomstig artikel 6:2:1:3 toegekend vakantieverlof wordt voor het personeel, dat de hierna genoemde diensttijd in overheidsdienst heeft volbracht, c.q. de hierna genoemde leeftijd heeft bereikt, vermeerderd met:
14,4 uren bij een diensttijd van 15 jaar of bij het bereiken van de leeftijd van 35 jaar;
28,8 uren bij een diensttijd van 25 jaar of bij het bereiken van de leeftijd van 45 jaar;
43,2 uren bij een diensttijd van 35 jaar of bij het bereiken van de leeftijd van 55 jaar.
Deze vermeerdering wordt voor het eerst genoten in het kalenderjaar waarin de in het eerste lid bedoelde diensttijd of leeftijd wordt bereikt.
Het overeenkomstig artikel 6:2:1:3 toegekende vakantieverlof wordt vermeerderd met:
21,6 uren over het kalenderjaar waarin de medewerker de leeftijd van 15, 16, 17 of 18 jaar bereikt;
14,4 uren over het kalenderjaar waarin de medewerker de leeftijd van 19 jaar bereikt;
7,2 uren over het kalenderjaar waarin de medewerker de leeftijd van 20 jaar bereikt.