De waarde van de personenauto wordt niet als vermogensbestanddeel in aanmerking genomen als deze op het moment waarop het verzoek wordt ingediend een waarde heeft van € 3.350,- of minder. Als de waarde meer bedraagt, wordt de volle waarde als vermogen in aanmerking genomen. Als op de auto voor een financier een pandrecht is gevestigd, moet ter vaststelling van de actuele (over)waarde de financieringsschuld in mindering worden gebracht.
De waarde van de auto wordt bepaald aan de hand van de ANWB-richtlijnen.
Een auto wordt niet als een vermogensbestanddeel in aanmerking genomen als de belastingschuldige aan de ontvanger - zo nodig na een verzoek daartoe - aannemelijk kan maken dat die auto absoluut onmisbaar is voor de uitoefening van het beroep dan wel absoluut onmisbaar is in verband met invaliditeit of ziekte van de belastingschuldige of zijn gezinsleden. Met gezinsleden wordt bedoeld de echtgenoot van belastingschuldige, of zijn kind(eren) voor zover deze geen eigen inkomen/vermogen heeft (hebben) waaruit de auto in beginsel zou kunnen worden betaald.
Voorts is het volgende van belang:
De tenaamstelling van de auto is van doorslaggevend belang bij de beoordeling van het verzoek;
Bij invaliditeit dient belastingschuldige aannemelijk te maken dat de auto absoluut onmisbaar is. Aanwijzing hiervan kan worden gevormd door:
Het feit dat de auto gefinancierd is door een instantie zoals bijvoorbeeld het UWV;
Dat er een invalidenparkeerkaart voor de desbetreffende persoon is afgegeven;
Tegemoetkoming in de vervoerskosten van het WMO.
Artikel 26.2.3
De auto en kwijtschelding particulieren
Onderdeel van Leidraad invordering publiekrechtelijke vorderingen Rijssen-Holten