Naar hoofdinhoud
1.. Onder inkomstenvrijlating wordt verstaan de inkomsten die op grond van: artikel 31, tweede lid onder n van de wet, artikel 8, tweede lid van de Ioaw en artikel 8, derde lid van de Ioaz gedurende een periode van ten hoogste 6 maanden niet aangemerkt worden als middelen en die bijdragen aan arbeidsinschakeling; artikel 31, tweede lid onder y van de wet, artikel 4b en artikel 8, het zevende en achtste lid van de IOAW en artikelen 4b en artikel 8, elfde en twaalfde van de IOAZ niet aangemerkt worden als middelen, tenzij er niet langer sprake is van een medische urenbeperking. 2.. Onder de in het eerste lid onder a genoemde arbeidsinschakeling worden alle betaalde werkzaamheden verstaan. 3.. De inkomstenvrijlating als bedoeld in het eerste lid wordt toegepast in de maand waaraan de inkomsten moeten worden toegerekend. 4.. In afwijking van het eerste lid, wordt geen inkomstenvrijlating toegepast over inkomsten die door belanghebbende zijn verzwegen en waarbij de teveel of ten onrechte verstrekte uitkering op grond van de Participatiewet, Ioaw of Ioaz alsnog door het college wordt teruggevorderd of verrekend. 5.. Aan de inkomstenvrijlating als bedoeld in het eerste lid, onder a wordt als eerste toepassing gegeven, alvorens de inkomstenvrijlating als bedoeld in het eerste lid, onder b toe te passen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel