Naar hoofdinhoud

Artikel 4.

Inrichting accountantscontrole

Onderdeel van Controleverordening

De accountant bepaalt binnen het kader van de opdrachtverlening de wijze waarop de accountantscontrole wordt ingericht, alsmede de aard en de omvang van de daarbij behorende werkzaamheden. . De accountant bepaalt binnen het kader van de opdrachtverlening de frequentie van de uit te voeren controles. De accountant kan de controlewerkzaamheden zonder voorafgaande kennisgeving uitvoeren. Ter bevordering van een efficiënte en doeltreffende accountantscontrole vindt periodiek (afstemmings-)overleg plaats tussen de accountant, (een vertegenwoordiging uit) de raad, (een vertegenwoordiging uit) het college, (een vertegenwoordiger van) de rekenkamerfunctie, de raadsgriffier, de algemeen directeur en de concerncontroller. Van het onder in punt 3 genoemde overleg wordt door de griffie een verslag gemaakt.

Rechtspraak bij dit artikel