1 Burgemeester en wethouders kunnen personen aanwijzen die belast zijn
met
het toezicht op de naleving van de bij of krachtens deze
verordening
gestelde voorschriften.
2 De opsporing van de om artikel 21 gestelde feiten is, naast de in
artikel
141 van het Wetboek van Strafverordening genoemde
opsporingsambtenaren,
opgedragen aan hen die door burgemeester en wethouders met het toezicht
op
de naleving van deze verordening zijn belast, voor zover het de
feiten
betreft die in de aanwijzing zijn vermeld.
3 De in het eerste lid bedoelde toezichthouders zlJn bevoegd elke plaats
te
betreden met uitzondering van een woning zonder toestemming van de
bewoner.