**1..** Een afgevaardigde van de raad heeft het recht in de betreffende raadscommissie verslag te doen en vragen te beantwoorden.
**2..** Ieder lid van de raad kan een raadslid als bedoeld in lid 1 schriftelijke vragen stellen. De regels voor het stellen van schriftelijke vragen, vastgesteld in artikel 45 van deze werkwijze, zijn van overeenkomstige toepassing.
**3..** Wanneer een lid van de raad het raadslid als bedoeld in lid 1 ter verantwoording wil roepen over zijn wijze van functioneren als zodanig, besluit de raad over het toestaan daarvan. De regels voor het vragen van inlichtingen, vastgesteld in artikel 46, zijn van overeenkomstige toepassing.
**4..** Over een voorstel tot ontslag van een door de raad aangewezen lid van het algemeen bestuur van een openbaar lichaam of van een ander gemeenschappelijk orgaan als bedoeld in lid 1 wordt niet beraadslaagd dan nadat in een vergadering, ten minste veertien dagen tevoren gehouden, is besloten te verklaren dat het betrokken raadslid niet meer het vertrouwen van de raad bezit als lid van het bedoelde bestuur.
**5..** Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op andere organisaties of instituties, waarin de raad een van zijn leden heeft benoemd.
**6..** Dit artikel is eveneens van overeenkomstige toepassing indien de in het eerste lid bedoelde aanwijzing betrekking heeft op de burgemeester en leden van het college.
Hoofdstuk
Artikel 56
Verslag en verantwoording door afvaardiging raad
Onderdeel van Verordening werkwijze van de raad en de raadscommissies 2016