Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2.

Artikel 7.

Onderzoek geloofsbrieven; beëdiging; benoeming wethouders

Onderdeel van Reglement van orde voor de vergaderingen en andere werkzaamheden van de raad

1.. Bij elke benoeming van nieuwe leden van de raad stelt de raad een commissie in bestaande uit drie leden van de raad. De commissie onderzoekt de geloofsbrieven, de daarop betrekking hebbende stukken van nieuw benoemde leden en het proces-verbaal van het (centraal)stembureau. 2.. De commissie brengt na haar onderzoek van de geloofsbrieven verslag uit aan de raad en doet daarbij een voorstel voor een besluit. In het verslag wordt ook melding gemaakt van een minderheidsstandpunt. 3.. Na een raadsverkiezing roept de voorzitter de toegelaten leden van de raad op om in de eerste vergadering van de raad in nieuwe samenstelling, bedoeld in artikel 18 van de Gemeentewet, de voorgeschreven eed of verklaring en belofte af te leggen. 4.. In geval van een tussentijdse vacaturevervulling roept de voorzitter een nieuw benoemd lid van de raad op voor de vergadering van de raad waarin over diens toelating wordt beslist om de voorgeschreven eed of verklaring en belofte af te leggen. 5.. Bij de benoeming van een wethouder wordt overeenkomstig het eerste lid een commissie ingesteld die onderzoekt of de kandidaat voldoet aan de eisen van de Gemeentewet. De werkwijze van deze commissie is overeenkomstig het tweede lid. Ten behoeve van het onderzoek legt de kandidaat de volgende stukken over: een uittreksel uit de gemeentelijke basisadministratie met vermelding van de nationaliteit en een opmerking over mogelijke uitsluiting van het kiesrecht; een overzicht van zijn openbare functies en alle overige nevenbetrekkingen; een opgave van zijn financiële belangen in ondernemingen en organisaties waarmee de gemeente zakelijke betrekkingen onderhoudt, als bedoeld in de Gedragscode voor de burgemeester en de wethouders; een verklaring omtrent het gedrag.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel