Naar hoofdinhoud

Paragraaf 2.

Artikel 10.

De hoogte en duur van de verlaging

Onderdeel van Afstemmingsverordening Wet investeren in jongeren gemeente Zeewolde 2010

1.. Onverminderd artikel 2, tweede lid, wordt de verlaging vastgesteld op: 10% van de WIJ-norm gedurende één maand bij een gedraging van de eerste categorie, 20% van de WIJ-norm gedurende één maand bij gedragingen van de tweede categorie, 40% van de WIJ-norm gedurende één maand bij gedragingen van de derde categorie, 100% van de WIJ-norm gedurende één maand bij gedragingen van de vierde categorie. 2.. De hoogte van de verlaging als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a tot en met c, wordt verdubbeld, indien de jongere zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een verlaging is opgelegd, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging van dezelfde of hogere categorie. In afwijking hiervan wordt niet de hoogte maar de duur van de verlaging verdubbeld, indien sprake is van een verlaging als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d. Met een besluit waarmee een verlaging is opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien, bedoeld in artikel 6, tweede lid, tenzij sprake is geweest van het afzien van een verlaging vanwege het ontbreken van elke vorm van verwijtbaarheid. 3.. Het college kan bij een derde of volgende verwijtbare gedraging van dezelfde of een hogere categorie binnen twaalf maanden na de laatste als verwijtbaar aangemerkte gedraging de inkomensvoorziening verlagen in hoogte en/of duur, rekening houdend met de ernst van de gedragingen, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de jongere. 4.. In afwijking van het eerste en tweede lid kan het college in bijzondere gevallen de inkomensvoorziening verlagen voor een langere duur, als de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de jongere daartoe aanleiding geven.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel