Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g.
onderdeel 5 en 6 van de wet kan voor een voorziening als bedoeld
in artikel 15 onder a. in aanmerking worden gebracht wanneer
aantoonbare beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek het
normale gebruik van de woning belemmeren.
Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g.
onderdeel 5 en 6 van de wet kan voor een voorziening als bedoeld
in artikel 15 onder b. en c. in aanmerking worden gebracht
wanneer de in het eerste lid genoemde voorziening niet mogelijk
is of niet de goedkoopst adequate voorziening is.
Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g.
onderdeel 5 en 6 van de wet kan voor een voorziening als bedoeld
in artikel 15, onder d. in aanmerking worden gebracht wanneer
sprake is van een op basis van aantoonbare beperkingen op grond
van ziekte of gebrek aanwezige gedragsstoornis met ernstig
ontremd gedrag tot gevolg, waarbij alleen het zich kunnen
afzonderen kan leiden tot een situatie waarin deze persoon tot
rust kan komen.
Artikel 17 Primaat van de losse woonunit
Indien een bouwkundige woonvoorziening bestaat uit een aanbouw aan of
een aanzienlijke verbouwing van een woning die niet het eigendom is van
een verhuurder, die bereid is de aangepaste woning blijvend ter
beschikking te stellen van personen die op basis van aantoonbare
beperkingen ten gevolge van ziekte of gebrek behoefte hebben aan een
dergelijke woning, zal het college een herplaatsbare losse woonunit
verstrekken indien daartegen geen bezwaren van overwegende aard
bestaan.
Artikel 18 Uitsluitingen
De bepalingen van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op:
het treffen van voorzieningen aan hotels/pensions,
trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen,
vakantiewoningen, recreatiewoningen en bij kamerverhuur;
het treffen van voorzieningen in woongebouwen, die specifiek
gericht zijn op mensen met beperkingen en waarvan verwacht mag
worden dat reeds voorzieningen zijn getroffen in de
gemeenschappelijke ruimten of dat voorzieningen bij nieuwbouw of
renovatie zonder noemenswaardige meerkosten kunnen worden
meegenomen.
Artikel 19 Hoofdverblijf
Een woonvoorziening wordt slechts verleend indien de aanvrager
zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de woonruimte waaraan
de voorziening wordt getroffen.
In afwijking van het gestelde in het eerste lid kan een
woonvoorziening getroffen worden voor het bezoekbaar maken van
één woonruimte indien de aanvrager zijn hoofdverblijf heeft in
een op grond van artikel 5 van de Wet toelating zorginstellingen
erkende instelling.
De aanvraag voor het bezoekbaar maken wordt ingediend in de
gemeente waar de aan te passen woning staat.
De woonvoorziening betreft slechts het bezoekbaar maken van de
in het tweede lid bedoelde woonruimte met een door het college
in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Montfoort
vastgesteld maximumbedrag.
Onder bezoekbaar maken wordt uitsluitend verstaan het middels
een woonvoorziening bewerkstelligen dat de aanvrager de
woonruimte, de woonkamer en een toilet kan bereiken.
Artikel 20 Financiële tegemoetkoming aanpassing woonwagen,
woonschip en binnenschip
Het college verleent slechts een financiële tegemoetkoming in de
aanpassingskosten van een woonwagen indien:
de technische levensduur van de woonwagen ten tijde van
het indienen van de aanvraag nog minimaal 5 jaar is;
de standplaats niet binnen vijf jaar voor opheffing in
aanmerking komt;
de woonwagen ten tijde van de indiening van de aanvraag
voor een woonvoorziening bij de gemeente op de
standplaats stond; en
de hoofdbewoner van een woonwagen in het bezit is van
een bewoningsvergunning als bedoeld in de
Woningwet.
Het college verleent slechts een financiële tegemoetkoming in de
aanpassingskosten van een woonschip indien:
de technische levensduur van het woonschip ten tijde van
indiening van de aanvraag nog minimaal vijf jaar
is;
het woonschip ten tijde van indiening van de aanvraag
nog minimaal vijf jaar op de ligplaats mag blijven
liggen.
Indien de technische levensduur van de woonwagen of het
woonschip ten tijde van indiening van de aanvraag minder dan
vijf jaar is, of de standplaats van de woonwagen binnen vijf
jaar voor opheffing in aanmerking komt of het woonschip niet
tenminste nog vijf jaar op de ligplaats mag liggen, wordt een
maximum vergoeding gesteld aan de aanpassingskosten zoals
vermeld in het Besluit maatschappelijke ondersteuning van de
gemeente Montfoort.
Het college verleent slechts een financiële tegemoetkoming in de
aanpassingskosten van een binnenschip dien de aanpassing
betrekking heeft op het voor de schipper, de bemanning en hun
gezinsleden bestemde gedeelte van het verblijf als bedoeld in
artikel 1, tweede lid, onderdeel V, van het Binnenschepenbesluit
(Stb. 1987,466), van een binnenschip, dat in het register
bedoeld in artikel 781 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek als
zodanig te boek is gesteld op de wijze omschreven in de
maatregel teboekgestelde schepen 1992 en bedrijfsmatig wordt
gebruikt, hetzij voor het vervoer van goederen, daarbij blijkens
de meetbrief bedoeld in het metingsbesluit binnenvaartuigen 1978
een laadvermogen van tenminste 15 ton hebbend, of voor het
vervoer van meer dan 12 personen buiten de in de aanhef
bedoelde.
Artikel 21 Aanvullende begrenzing recht op
woonvoorzieningen
De aanvraag voor een woonvoorziening als bedoeld in dit hoofdstuk wordt
geweigerd indien:
de noodzaak tot het treffen van de woonvoorziening het gevolg is
van een verhuizing waartoe, op grond van belemmeringen bij het
normale gebruik van de woning ten gevolg van ziekte of gebrek,
geen aanleiding bestond en geen andere belangrijke reden
aanwezig was;
de aanvrager niet is verhuisd naar de voor zijn of haar
beperkingen op dat moment beschikbare meest geschikte woning,
tenzij daarvoor tevoren schriftelijk toestemming is verleend
door het college;
deze betrekking heeft op voorzieningen in gemeenschappelijke
ruimten anders dan automatische deuropeners, hellingbanen en
extra trapleuningen;
de woonvoorziening aangevraagd wordt op een moment dat, op basis
van leeftijd, gezinssituatie of woonsituatie, te voorzien was
dat deze voorziening noodzakelijk zou zijn en daarmee geen
sprake is van een onverwacht intredende noodzaak;
de aanvrager voor het eerst zelfstandig gaat wonen, uitsluitend
voor zover de aanvraag een verhuiskostenvergoeding betreft;
de aanvrager verhuisd is vanuit of naar een woonruimte die niet
geschikt is het gehele jaar door bewoond te worden;
de aanvrager verhuisd is naar een AWBZ-instelling of een andere
instelling gericht op het verstrekken van zorg;
in de verlaten woonruimte geen problemen bestonden met het
normale gebruik van de woning;
de ondervonden problemen bij het normale gebruik van de woning
voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte
materialen.
HOOFDSTUK 4
Artikel 16
Primaat van de verhuizing en de uitraasruimte
Onderdeel van Verordening Voorziening maatschappelijke ondersteuning