**1..** Elke verbindingsslang tussen een drukhouder en een verbruikstoestel moet:
voorzien zijn van een keurmerk;
zijn bevestigd door middel van slangklemmen op slangpilaren;
vrij en ongespannen zijn aangelegd;
zodanig zijn aangebracht, dat blootstelling aan ontoelaatbare temperatuursinvloeden wordt voorkomen;
zo kort mogelijk zijn (maximaal 1,5 meter);
gaaf en niet ouder zijn dan twee jaar (fabricage volgens EN5684 of EN564);
gaaf en niet ouder zijn dan vijf jaar (fabricage volgens NEN-EN 1763).
**2..** Reduceerventielen mogen niet ouder zijn dan 5 jaar, uitgaande van het jaartal dat staat vermeld op het reduceerventiel of op de aan koopbon. Het reduceerventiel mag geen roestvorming vertonen.
**3..** Tussen de gasfles(sen) en het verbruikstoestel moet gebruik worden gemaakt van vaste metalen leidingen, waarbij maximaal de laatste 1,5 meter uit goedgekeurde gas- bestendige slang (volgens NEN-EN 1763) moet bestaan.
**4..** Elke leiding moet zodanig zijn vastgezet, dat doorbuigen niet mogelijk is. De afstand tussen de bevestigingen mag daarom maximaal 1,5 meter zijn. Verder moet op maximaal 0,3 meter afstand van elke zijde van een afsluiter, bocht of verbinding een bevestiging aanwezig zijn.
**5..** Slangen, leidingen, koppelingen, klemmen, drukhouders en toestellen t.b.v. gasvormige brandstof, moeten deugdelijk zijn aangebracht en in deugdelijke_ staat verkeren. Waar nodig moeten leidingen zijn beschermd tegen beschadiging (bijv. met een brugconstructie over een leiding door een looproute).
HOOFDSTUK 3
Artikel 3:6:4
Gasleidingen en appendages
Onderdeel van Nadere regels A-evenementen gemeente Maasgouw 2016