Burgemeester en wethouders kunnen op een daartoe strekkend verzoek een vergunning verlenen voor het parkeren op vergunninghouderparkeerplaatsen of parkeerapparatuurplaatsen.
De vergunning is geldig voor het parkeren met een voertuig op één vergunninghouderparkeerplaats of één parkeerapparatuurplaats.
Met betrekking tot het bepaalde in artikelen 3.2 tot en met 3.9 kunnen burgemeester en wethouders in het belang van een goede verdeling van de beschikbare ruimte per gebied waar parkeerapparatuur- en/of vergunninghouderparkeerplaatsen aanwezig zijn nadere voorschriften en beperkingen verbinden, zoals ten aanzien van :
het aanvragen en verstrekken van de soort vergunning;
het maximale aantal te verlenen vergunningen;
het gebied waarvoor de vergunning geldt en het toewijzen van specifieke weggedeelten voor parkeren;
de tijdstippen waarop de vergunning van kracht is;
de te gebruiken parkeerplaatsen.
Een vergunning wordt voor ten hoogste één jaar verleend en bevat in ieder geval de volgende gegevens:
de periode waarvoor de vergunning geldt;
het gebied waarvoor de vergunning geldt;
het kenteken van het motorvoertuig waarvoor de vergunning is verleend.
Burgemeester en wethouders kunnen aan een vergunning ook andere voorschriften en beperkingen verbinden die strekken tot bescherming van het belang van een goede verdeling van de beschikbare parkeerruimte.