Het college weigert de verlening van een persoonsgebonden budget:
a. indien de cliënt het door het college vastgestelde budgetplan niet heeft overgelegd of onvolledig ingevuld heeft overgelegd;
b. indien de cliënt weigert het budgetplan desgevraagd met het college te bespreken of, na voor een gesprek daarover te zijn opgeroepen, zonder geldige reden niet verschijnt;
c. indien de cliënt surseance van betaling heeft aangevraagd of failliet is verklaard;
d. indien ten aanzien van de cliënt de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, dan wel een verzoek daartoe bij de rechtbank is ingediend;
e. indien de cliënt zich niet heeft gehouden aan bij de verstrekking van een eerder persoonsgebonden budget opgelegde verplichtingen;
f. indien het naar het oordeel van het college onvoldoende aannemelijk is dat met het persoonsgebonden budget zal worden voorzien in toereikende ondersteuning van goede kwaliteit;
g. indien de cliënt naar het oordeel van het college redelijkerwijs niet in staat kan worden geacht het persoonsgebonden budget te beheren, tenzij de cliënt het beheren laat uitvoeren door een gemachtigde die:
- niet de natuurlijke persoon is die, via het persoonsgebonden budget, de ondersteuning verleent.
- niet werkzaam is bij of via de rechtspersoon waar de ondersteuning met het persoonsgebonden budget wordt betrokken.
- niet de rechtspersoon is, of gelieerd is aan de rechtspersoon waar ondersteuning met het persoonsgebonden budget wordt betrokken.
h. indien sprake is van ondersteuning in een spoedeisende situatie als bedoeld in artikel 2.3.3 van de wet;
i. voor zover het persoonsgebonden budget is bestemd voor besteding buiten Nederland;
j. voor zover het persoonsgebonden budget is bedoeld voor bemiddelingskosten of begeleidings- of administratiekosten in verband met het beheren van het persoonsgebonden budget.
Hoofdstuk 4
Artikel 4.1
Criteria persoonsgebonden budget
Onderdeel van Verordening beschermd wonen en opvang gemeente Hardinxveld-Giessendam