Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 1

Artikel 1.1

Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen

Onderdeel van Beleidsregels handhaving kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzalen regio Twente

Per 1 januari 2005 is de Wet kinderopvang in werking getreden. Per 1 augustus 2010 is deze gewijzigd en is de citeertitel aangepast naar ‘Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen’ (hierna: Wkkp). In de Wkkp staan de kwaliteitseisen waaraan kindercentra, gastouderbureaus, voorzieningen voor gastouderopvang en peuterspeelzalen moeten voldoen. Door middel van de ministeriële Beleidsregels kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzalen (hierna: Beleidsregels kwaliteit), is nadere invulling gegeven aan de kwaliteitseisen uit de Wkkp. De Beleidsregels kwaliteit binden de gemeente bij het uitvoeren van het gemeentelijk handhavingsbeleid. De inhoud van de Beleidsregels kwaliteit is gebaseerd op het kwaliteits-convenant dat tussen ouders en werkgevers in de kinderopvang is afgesloten. Het college van burgemeester en wethouders (hierna: het college) is verantwoordelijk voor handhaving van de Wkkp en beschikt in het kader hiervan over de volgende bestuursrechtelijke sanctiemogelijkheden ten aanzien van kindercentra, gastouderbureaus en voorzieningen voor gastouderopvang: het geven van een aanwijzing (artikel 1.65, eerste lid, Wkkp); het opleggen van een last onder bestuursdwang (artikel 125, eerste en tweede lid, Gemeentewet); het opleggen van een last onder dwangsom (artikel 125, eerste en tweede lid, Gemeentewet jo. artikel 5:32, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb)); het verbieden van het voortzetten van de exploitatie (artikel 1.66, eerste lid, Wkkp); het verbieden van het in exploitatie nemen (artikel 1.66, tweede lid, Wkkp); verwijdering uit het Landelijk Register Kinderopvang (hierna: LRK) (artikel 1.47a, tweede lid, onder c, Wkkp jo. artikel 10, eerste lid, Besluit registratie kinderopvang) en het opleggen van een bestuurlijke boete (artikel 1.72, eerste lid, onder a, Wkkp). Ten aanzien van peuterspeelzalen beschikt het college over de volgende bestuursrechtelijke sanctie-mogelijkheden: het geven van een aanwijzing (artikel 2.23, eerste lid, Wkkp); het opleggen van een last onder bestuursdwang (artikel 125, eerste en tweede lid, Gemeentewet); het opleggen van een last onder dwangsom (artikel 125, eerste en tweede lid, Gemeentewet jo. artikel 5:32, eerste lid, Awb); het verbieden van de instandhouding van een peuterspeelzaal; (artikel 2.24, eerste lid, Wkkp); het verbieden van het in exploitatie nemen (artikel 2.24, tweede lid, Wkkp); verwijdering uit het LRK (artikel XXX) 1 Dit is thans nog niet vastgelegd in de Wkkp Ten aanzien van niet-gesubsidieerde peuterspeelzalen beschikt het college daarnaast nog over de mogelijkheid tot: het opleggen van een bestuurlijke boete (artikel 2.28, eerste lid, Wkkp). Ten aanzien van door de gemeente gesubsidieerde peuterspeelzaal worden geen bestuurlijke boetes opgelegd. Wel kan in beginsel handhaving van de kwaliteitseisen door middel van korting op de subsidieverstrekking plaatsvinden. Ten aanzien van niet-gesubsidieerde peuterspeelzalen zullen vooralsnog in beginsel geen bestuurlijke boetes worden opgelegd. Daarnaast kan de GGD als toezichthouder in de zin van de Wkkp (hierna: de toezichthouder) een schriftelijk bevel geven indien de kwaliteit van de kinderopvang bij een kindercentrum, gastouderbureau, voorziening voor gastouderopvang of peuterspeelzaal zodanig tekortschiet dat het nemen van maatregelen redelijkerwijs geen uitstel kan lijden (artikel 1.65, derde lid en artikel 2.23, derde lid Wkkp). Een bevel heeft een geldigheidsduur van zeven dagen, welke door het college van burgemeester en wethouders kan worden verlengd. Alle hiervoor genoemde bestuursrechtelijke handhavingssancties zijn beschikkingen in de zin van de Awb. In hoofdstuk 2 en 3 wordt dieper ingegaan op de verschillende sancties.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel