Indien de overheidswerknemer, bedoeld in artikel 2
van de WPA, op 1 januari 1996 gedurende een periode van 52
weken of langer onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest in de zin van
artikel 19, eerste lid, van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering en de mate van zijn
algemene invaliditeit op grond van het pensioenreglement is vastgesteld
op ten minste 15 procent dan wel de mate van arbeidsongeschiktheid
ingevolge de ministeriele regeling op grond van artikel 8, derde lid,
van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet is vastgesteld op ten minste
25 procent, binnen een periode van zes maanden is aan te merken als
betrokkene, geldt voor hem als dagloon het dagloon zoals bepaald in
artikel 39, vierde en vijfde lid, van de WPA, zonder
toepassing van de maximumdagloongrens van artikel 9, eerste lid, van de
Coordinatiewet Sociale Verzekering.
briefnummer: ARZ/607190
Hoofdstuk 11a
Artikel 11a:18
Artikel 11a:18
Onderdeel van Collectieve Arbeidsvoorwaarden en Uitwerkingsovereenkomst