Deze verordening verstaat onder:
1. Inconveniënt:
een omstandigheid, voortvloeiend uit het werk, de werkmethode en/of werkomgeving, die als bezwarend wordt ervaren en die onvermijdbaar is bij de uitvoering van de aan de ambtenaar opgedragen werkzaamheden.
2. Functie:
de functie, die door een ambtenaar wordt uitgeoefend, die niet hoger gewaardeerd is dan schaal 6 en waarbij een inconveniënt is vastgesteld. Voor de gladheidsbestrijding gaat het hierbij om de functie van waker of voorman en niet om de eigen functie van de ambtenaar.